ECLI:NL:RBZWB:2020:1968

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
22 april 2020
Publicatiedatum
24 april 2020
Zaaknummer
20/5839
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijk verklaring verzoek voorlopige voorziening wegens ontbreken formele connexiteit

Verzoekster heeft bij de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening gevraagd om een bedrag toe te kennen in verband met haar gestelde recht op een Wajong-uitkering. De voorzieningenrechter heeft op grond van artikel 8:83, derde lid, Awb besloten dat een zitting achterwege kon blijven.

De kern van de beoordeling betrof het vereiste van formele connexiteit. Dit houdt in dat een verzoek om voorlopige voorziening alleen ontvankelijk is indien er een lopende bezwaar- of beroepsprocedure is tegen het besluit waartegen de voorlopige voorziening wordt gevraagd.

Uit de door de gemachtigde verstrekte informatie bleek dat het oorspronkelijke besluit van het UWV was genomen op 26 januari 2018, gewijzigd bij besluit van 28 september 2018, en dat het beroep tegen dit besluit was ingetrokken op 28 november 2018. Hierdoor was er geen lopende bezwaar- of beroepsprocedure meer.

De voorzieningenrechter concludeerde dat het verzoek daarom niet voldeed aan het vereiste van formele connexiteit en verklaarde het verzoek niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een lopende bezwaar- of beroepsprocedure.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 20/5839 WAJONG VV

uitspraak van 22 april 2020 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam verzoekster], te [woonplaats verzoekster], verzoekster,

gemachtigde: mr. E.H.J. aan de Stegge,
en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(UWV; kantoor Breda), verweerder.

Procesverloop

Verzoekster heeft de voorzieningenrechter verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening aan haar, ten laste van het UWV, een bedrag toe te kennen in verband met het door haar gestelde recht op een Wajong-uitkering.
Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven.

Overwegingen

1. In artikel 8:81 van Pro de Awb is bepaald dat indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2. De voorzieningenrechter overweegt dat, wil sprake zijn van een ontvankelijk verzoek om voorlopige voorziening, in ieder geval voldaan moet zijn aan het vereiste van formele connexiteit: er moet bezwaar zijn ingediend of beroep zijn ingesteld.
3. De griffier heeft verzoeksters gemachtigde gevraagd om (1) toezending van het besluit waar verzoekster het niet mee eens is en (2) van het tegen dat besluit gerichte bezwaar- of beroepschrift. Uit de reactie van gemachtigde blijkt dat het verzoek wordt ingediend in verband met een beroepsprocedure tegen een besluit van het UWV van 26 januari 2018. Dat besluit is gewijzigd bij besluit van 28 september 2018 en het beroep is ingetrokken in een brief van 28 november 2018.
4. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter blijkt uit de door verzoeksters gemachtigde verstrekte inlichtingen dat het verzoek niet is ingediend in het kader van een lopende bezwaar- of beroepsprocedure. Dat betekent dat niet is voldaan aan het connexiteitsvereiste. Het verzoek zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
5. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Oudkerk, griffier, op 22 april 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier voorzieningenrechter
De griffier is buiten staat om deze uitspraak
mee te ondertekenen
Afschrift verzonden aan partijen op:

Als u het niet eens bent met deze uitspraak

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.