Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 april 2020 in de zaak tussen
[naam eiser] , te [plaatsnaam] , eiser
Procesverloop
Overwegingen
Het college vindt dat zij aan dit verzoek heeft voldaan. Eiser is het daar niet mee eens en heeft in beroep 38 punten genoemd waarom hij het er niet mee eens is. De rechtbank heeft deze punten geclusterd en zal die hieronder per cluster bespreken.
14 maart 2018 zullen ook de volgende 6 documenten alsnog in zijn geheel openbaar worden gemaakt:
a. de e-mail van 29 juni 2016 van [naam persoon2] aan [naam persoon3] ;
b. de e-mail van 31 oktober 2016 van [naam persoon4] aan [naam persoon2] ;
c. de e-mail van 15 november 2016 van [naam persoon2] aan [naam persoon4] en [naam persoon3] ;
d. de e-mail van 8 februari 2017 van [naam persoon2] aan [naam persoon3] ;
e. de e-mail van 15 november 2017 van de vertegenwoordiger van het college aan [naam persoon5] ;
f. de concept intentieovereenkomst met opmerkingen.
- Een document van [naam persoon3] van 12 oktober 2015 (processtuk 10);
- Een e-mail van 28 september 2017 van [naam persoon1] aan het college (processtuk 89).
De Wob biedt namelijk de mogelijkheid om deze informatie aan eiser te verstrekken in niet tot personen herleidbare vorm [4] . Als degene die deze opvattingen heeft geuit of zich erachter heeft gesteld, daarmee heeft ingestemd, kan de informatie bovendien in tot personen herleidbare vorm worden verstrekt. Het besluit om over persoonlijke beleidsopvattingen informatie te verstrekken is echter aan het bestuursorgaan. Ook indien degene die de persoonlijke beleidsopvattingen heeft geuit, heeft ingestemd met openbaarmaking, komt aan het bestuursorgaan - gelet op de op hem rustende verantwoordelijkheden - nog steeds de vrijheid toe om die informatie uiteindelijk toch niet te verschaffen [5] .
- als een bestuursorgaan – na onderzoek – stelt dat een bepaald document niet of niet meer onder hem berust;
- en deze mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt;
- dan is het in beginsel aan degene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat een bepaald document toch onder dat bestuursorgaan berust.
e-mailcontacten zijn geweest tussen het college en de firma [naam firma] , maar dat wil niet zeggen dat deze documenten nog steeds onder het college berusten. Eiser heeft dat in ieder geval niet aannemelijk gemaakt.
Het beroep van eiser is op dit punt ongegrond. De vertegenwoordiger van het college heeft tijdens de zitting wel toegezegd dat nogmaals zal worden gezocht naar andere e-mails met de firma [naam firma] .
Dit heeft ertoe geleid dat het college met het verweerschrift nog stukken heeft opgestuurd. Eiser heeft tijdens de zitting aangegeven dat deze punten hiermee zijn afgedaan.
De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien door deze uitspraak in de plaats te laten treden van het bestreden besluit.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 174,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt het college in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.050,-.