ECLI:NL:RBZWB:2020:2065
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening betaling voorschot WW-uitkering wegens betalingsonmacht
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV waarbij een voorschot op een WW-uitkering wegens betalingsonmacht werd geweigerd. Hij verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen, stellende dat hij door de weigering niet in het levensonderhoud van zijn gezin kan voorzien en dat er bijzondere omstandigheden spelen, zoals ziekte en baanverlies van zijn echtgenote.
De voorzieningenrechter beoordeelde of er sprake was van een spoedeisend belang, zoals vereist op grond van artikel 8:81, eerste lid, Awb. Verzoeker werd verzocht om nadere informatie te verstrekken over zijn financiële situatie, waaronder spaargelden en vermogensbestanddelen, om het spoedeisend belang te onderbouwen. De reactie van verzoekers gemachtigde bevatte echter geen concrete informatie over de vermogenssituatie.
Gezien het ontbreken van deze essentiële informatie kon de voorzieningenrechter niet vaststellen dat er een spoedeisend belang bestond. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er is geen proceskostenveroordeling opgelegd en de uitspraak is openbaar gemaakt zonder mogelijkheid tot hoger beroep.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tot betaling van een voorschot op de WW-uitkering wegens betalingsonmacht is afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.