Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
artikel 6:4van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), ten aanzien van:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 17 januari 2020 het verzoek van de officier van justitie tot verlening van een zorgmachtiging op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), aansluitend op een eerdere crisismaatregel onder de Wet Bopz. Betrokkene, die verblijft in een psychiatrisch ziekenhuis, betwist de diagnose schizofrenie en de noodzaak van verplichte zorg. De moeder en behandelaar van betrokkene bevestigen echter het ernstige psychotische toestandsbeeld met wanen, hallucinaties en gebrek aan ziekte-inzicht.
De rechtbank stelt vast dat betrokkene lijdt aan een schizofreniespectrumstoornis met ernstig nadeel zoals maatschappelijke teloorgang en verwaarlozing. Vrijwillige zorg is niet mogelijk omdat betrokkene niet meewerkt en geen ziektebesef heeft. De officier van justitie heeft het verzoek aangepast door enkele vormen van verplichte zorg in te trekken, maar handhaaft opname, bewegingsbeperking, lichamelijk onderzoek en medicatietoediening.
De rechtbank oordeelt dat de voorgestelde verplichte zorg noodzakelijk, evenredig en effectief is om het ernstig nadeel af te wenden en de geestelijke gezondheid te stabiliseren. De zorgmachtiging wordt verleend voor een periode van zes maanden, tot en met 17 juli 2020. Het verzoek tot meer of andere zorgvormen wordt afgewezen.
Uitkomst: De rechtbank verleent een zorgmachtiging voor verplichte zorg tot en met 17 juli 2020.