Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.De procedure
- de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek door de wrakingskamer op 11 mei
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
In deze zaak heeft verzoekster een wrakingsverzoek ingediend tegen de rechter die belast was met de behandeling van het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige. Verzoekster stelde dat zij niet was opgeroepen voor de zitting en geen kopie van het verzoekschrift met bijlagen had ontvangen, en dat de rechter haar verzoek tot aanhouding van de behandeling onterecht had afgewezen.
De wrakingskamer overwoog dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn en dat alleen uitzonderlijke omstandigheden aanleiding geven tot wraking. Een onwelgevallige procesbeslissing, zoals het afwijzen van een verzoek tot aanhouding, is op zichzelf geen grond voor wraking tenzij deze onbegrijpelijk is en duidt op vooringenomenheid, wat hier niet het geval was.
Verder bleek uit het dossier dat verzoekster tijdig was opgeroepen en dat het verzoek tot uithuisplaatsing met bijlagen op 17 april 2020 aan haar was toegezonden. De rechter had de behandeling van het verzoek zorgvuldig gewogen, rekening houdend met de belangen van de minderjarige en de argumenten van verzoekster. De wrakingskamer concludeerde dat er geen objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid bestond en wees het wrakingsverzoek af.
De behandeling van de zaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing wegens het wrakingsverzoek, en een volgend wrakingsverzoek wordt uitgesloten.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter is afgewezen wegens gebrek aan objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid.