Uitspraak
1.Het verloop van de procedure
2.Het geschil
primair:te veroordelen tot betaling van, bij wijze van voorschot, een bedrag van
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
In deze kortgedingprocedure vordert eiseres ontruiming van bedrijfsruimte en betaling van huurachterstanden en bijkomende kosten van gedaagden, voormalig vennoten van een vennootschap onder firma. Eiseres baseert haar vorderingen op een huurovereenkomst en een akte van indeplaatsstelling, waarbij sprake zou zijn van een aanzienlijke huurachterstand.
Gedaagden betwisten de hoogte van de huurachterstand en voeren aan dat deelbetalingen onjuist zijn toegerekend aan openstaande facturen uit een drankleverantieovereenkomst. Zij beroepen zich op artikel 6:43 BW Pro voor juiste toerekening van betalingen en stellen dat slechts een geringe huurachterstand resteert. Tevens betwisten zij de contractuele boete en wijzen op een e-mail van eiseres waarin betalingsregelingen worden aangeboden, wat volgens hen afstand van onmiddellijke betaling inhoudt.
De kantonrechter oordeelt dat de door gedaagden overgelegde betalingsspecificaties niet zijn betwist en dat de toerekening van deelbetalingen aan de huurpenningen correct is volgens artikel 6:43 lid 2 BW Pro. De vordering tot betaling van huurachterstanden en boetes is daarom niet voldoende aannemelijk. Ook is onvoldoende duidelijkheid over de berekening van de huurachterstand om ontruiming te rechtvaardigen.
Gelet op deze bevindingen wijst de rechtbank de vorderingen af en veroordeelt eiseres in de proceskosten. De positie van gedaagde sub 2 en de interpretatie van het betalingsaanbod blijven in deze procedure onbesproken.
Uitkomst: De vordering tot ontruiming en betaling van huurachterstanden wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid.