ECLI:NL:RBZWB:2020:2365
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid verzoek voorlopige voorziening wegens ontbreken besluit
Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen een boete van €200 op grond van artikel 2.21 of 2.22 van de Wet basisregistratie personen. De rechtbank heeft de behandeling ter zitting achterwege gelaten conform artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
De voorzieningenrechter constateerde dat verzoeker niet heeft aangegeven door welk bestuursorgaan de boete is opgelegd en geen kopie van het bestreden besluit heeft overgelegd, terwijl dit verplicht is bij een verzoek om voorlopige voorziening. De griffier heeft verzoeker hierop gewezen en een termijn van één week gegund om dit te herstellen.
Verzoeker heeft niet aan deze verplichting voldaan, waardoor het verzoek niet-ontvankelijk is verklaard. De zaak is zonder behandeling ter zitting afgedaan. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van het bestreden besluit.