Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Feiten
2.Omvang van het geschil
3.Beoordeling
4.Conclusie
www.rechtspraak.nl.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Eiseres, houder van een gehandicaptenparkeerkaart bestuurder, vroeg opnieuw een individuele gehandicaptenparkeerplaats aan bij haar woning, nadat een eerdere aanvraag in 2015 was afgewezen vanwege het bestaan van een eigen parkeergelegenheid. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Etten-Leur wees de aanvraag in 2019 opnieuw af, omdat eiseres volgens het gemeentebeleid niet voldeed aan de criteria voor toewijzing, met name vanwege het bezit van een eigen oprit.
Eiseres voerde aan dat haar eigen parkeergelegenheid niet bruikbaar is vanwege een helling en dat het college onvoldoende gemotiveerd heeft waarom deze parkeergelegenheid adequaat zou zijn. Ook stelde zij dat het college onvoldoende rekening hield met relevante richtlijnen zoals die van CROW en de Chronische zieken en Gehandicapten Raad Nederland.
Het college stelde dat de oprit groot en toegankelijk is, dat een lichte helling geen belemmering vormt en dat eiseres de oprit kan aanpassen indien nodig. De rechtbank oordeelde dat het college een ruime beoordelingsvrijheid heeft bij het nemen van verkeersbesluiten en dat het gemeentebeleid niet onredelijk is. De rechtbank vond dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat haar eigen parkeergelegenheid niet bruikbaar is en dat het college terecht de aanvraag heeft afgewezen.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor een individuele gehandicaptenparkeerplaats wordt ongegrond verklaard.