Eiser, werkzaam als [functie], meldde zich op 15 januari 2019 ziek met psychische klachten en ontving een Ziektewet-uitkering vanaf 23 januari 2019. Op 4 maart 2019 werd hij door een verzekeringsarts hersteld verklaard en per 8 maart 2019 beëindigde het UWV zijn uitkering. Eiser maakte bezwaar tegen deze beëindiging, maar het eerste bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening. Dit besluit werd later ingetrokken en het bezwaar inhoudelijk beoordeeld, waarbij het UWV het bezwaar ongegrond verklaarde.
De rechtbank beoordeelde het medisch onderzoek van de verzekeringsartsen als zorgvuldig en voldoende gemotiveerd. De verzekeringsartsen concludeerden dat eiser weer geschikt was voor zijn eigen arbeid, ondanks psychische klachten. De rechtbank vond geen tegenstrijdigheden in de rapportages en achtte de medische beoordeling betrouwbaar, ook gelet op de informatie van de huisarts.
Het beroep tegen het tweede besluit werd ongegrond verklaard. Wel werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser, omdat het eerste besluit onrechtmatig was en werd ingetrokken. Het griffierecht werd reeds door het UWV vergoed. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep.