De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 16 juni 2020 het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming toegewezen tot beëindiging van het ouderlijk gezag van beide ouders over een minderjarige geboren in 2009. De minderjarige was jarenlang betrokken bij een conflict tussen de ouders, waarbij sprake was van kindermishandeling en huiselijk geweld bij de moeder. Na diverse wisselende verblijfplaatsen en een plaatsing in een gezinshuis, woont de minderjarige sinds april 2020 weer bij de vader, waar het goed gaat.
De rechtbank oordeelt dat de ontwikkeling van de minderjarige ernstig wordt bedreigd en dat de aanvaardbare termijn voor het dragen van opvoedverantwoordelijkheid door de ouders is verstreken. De moeder kampt met persoonlijke problematiek en onvoldoende opvoedvaardigheden, terwijl de vader ondanks zijn zorg voor de minderjarige door de voortdurende strijd met de moeder zijn gezag niet adequaat kan uitoefenen.
Gezien de noodzaak van rust en stabiliteit voor de minderjarige, beëindigt de rechtbank het gezag van beide ouders en benoemt zij de Stichting Jeugdbescherming Brabant als neutrale voogd. De rechtbank wijst het verzoek van de moeder om haar broer als voogd aan te stellen af vanwege diens betrokkenheid bij het conflict en gebrek aan neutraliteit. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden worden aangevochten.