Uitspraak
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
5.De beslissing
spreekt verdachte vrijvan het tenlastegelegde feit;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van verkrachting van een vrouw op 25 december 2017 in Tilburg. De officier van justitie baseerde haar beschuldiging op verklaringen van het vermeende slachtoffer en haar vriendin, die een emotionele toestand van het slachtoffer beschreven. De verdediging voerde aan dat er geen overtuigend bewijs was en wees op tegenstrijdigheden in verklaringen en het ontbreken van letsel en forensisch onderzoek.
Tijdens de zitting verklaarden verdachte en zijn medeverdachte dat er seksuele handelingen plaatsvonden, maar ontkenden zij dwang. De rechtbank overwoog dat dwang in de zin van artikel 242 Sr Pro alleen kan worden aangenomen als wettig en overtuigend bewezen is dat het slachtoffer de handelingen tegen haar wil onderging en dat degene die dwong zelf seksuele handelingen verrichtte.
De rechtbank constateerde discrepanties in de verklaringen van het vermeende slachtoffer en haar vriendin, en het ontbreken van zichtbaar letsel ondanks de beweringen van het slachtoffer. Daartegenover stond dat verdachte en medeverdachte onafhankelijk van elkaar op hoofdlijnen hetzelfde verklaarden. Gezien deze omstandigheden was de rechtbank niet overtuigd van het bestaan van dwang en sprak zij verdachte vrij van het tenlastegelegde feit.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs van dwang bij verkrachting.