Verzoeker is sinds 10 juni 2015 ziek en ontving vanaf 22 juni 2017 een loongerelateerde WIA-uitkering wegens 100% arbeidsongeschiktheid. Later werd zijn arbeidsongeschiktheid vastgesteld op circa 69%, met een resterende verdiencapaciteit van € 874,61 per maand. De loongerelateerde uitkering liep tot 5 juni 2019, waarna hij recht kreeg op een loonaanvullingsuitkering.
Het UWV besloot op 17 april 2020 de loonaanvullingsuitkering per 1 juli 2020 te beëindigen en om te zetten in een vervolguitkering van € 839,20 bruto, omdat verzoeker minder dan de helft van zijn resterende verdiencapaciteit verdient en minder dan 80% arbeidsongeschikt is. Verzoeker betoogde dat hij niet aan de inkomenseis kan voldoen vanwege stopzetting van zijn re-integratietraject door coronamaatregelen en dat de verlaging van zijn uitkering tot financiële problemen leidt.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het besluit van 20 juni 2018, waarin de arbeidsongeschiktheid en inkomenseis zijn vastgesteld, in rechte vaststaat omdat daartegen geen rechtsmiddelen zijn aangewend. Verzoekers argumenten over onvoldoende re-integratie rechtvaardigen geen voorlopige voorziening, omdat hij 24 maanden had om zich voor te bereiden op de inkomenseis. De belangenafweging leidde tot de conclusie dat het UWV-besluit naar verwachting standhoudt en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.