Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van 8 juni 2020 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[naam verzoekster], te [woonplaats verzoekster], verzoekster,
Procesverloop
Overwegingen
Spoedeisend belang
Beslissing
.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een WW-uitkering door het UWV, omdat zij niet voldeed aan de eis van minimaal 26 gewerkte weken in de 36 weken voorafgaand aan werkloosheid. Zij verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening toe te kennen, omdat zij geen inkomen heeft en haar huur niet kan betalen.
De voorzieningenrechter overweegt dat bij financiële geschillen niet snel sprake is van onverwijlde spoed, tenzij er een acute financiële noodsituatie is. Verzoekster heeft haar financiële situatie niet met stukken onderbouwd en er is geen bewijs van dreigende uithuiszetting, betalingsachterstanden of afsluiting van nutsvoorzieningen. Ook heeft zij de mogelijkheid om een lening bij DUO af te sluiten, wat zij weigert.
Omdat er geen spoedeisend belang is, kan alleen een voorlopige voorziening worden getroffen als het besluit evident onrechtmatig is. De voorzieningenrechter oordeelt dat dit niet het geval is, mede omdat verzoekster zelf ontslag heeft genomen en daardoor verwijtbaar werkloos is geworden. Het verzoek wordt daarom afgewezen en verzoekster moet de beslissing op bezwaar afwachten.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van spoedeisend belang en evident onrechtmatigheid.