ECLI:NL:RBZWB:2020:3064

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 juli 2020
Publicatiedatum
15 juli 2020
Zaaknummer
AWB- 20_963
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken gronden van beroep in Participatiewet-uitkeringszaak

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het dagelijks bestuur van de Uitvoeringsorganisatie Baanbrekers inzake de afwijzing van zijn aanvraag om een uitkering en de terugvordering van een verstrekt voorschot op grond van de Participatiewet.

De rechtbank constateert dat eiser in het beroepschrift geen gronden van beroep heeft vermeld, wat een vereiste is volgens de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De griffier heeft eiser hierop gewezen en hem meerdere malen de gelegenheid geboden dit te herstellen binnen gestelde termijnen.

Ondanks deze waarschuwingen en termijnen heeft eiser geen gronden van beroep overgelegd. De rechtbank verklaart het beroep daarom kennelijk niet-ontvankelijk en besluit de zaak zonder inhoudelijke behandeling af te doen.

De beslissing is gebaseerd op de artikelen 6:5, 6:6 en 8:54 van de Awb. Partijen kunnen binnen zes weken na verzending van de uitspraak verzet instellen.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van gronden van beroep.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 20/963 PW

uitspraak van 10 juli 2020 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], te [plaatsnaam], eiser,

en

het dagelijks bestuur van de Uitvoeringsorganisatie Baanbrekers, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft bij brief van 1 februari 2020 beroep ingesteld tegen het besluit van 23 december 2019 (bestreden besluit) van Baanbrekers inzake de afwijzing van eisers aanvraag om een uitkering en de terugvordering van het verstrekte voorschot ingevolgde de Participatiewet.

Overwegingen

1. In de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de verplichting opgenomen om in het beroepschrift de gronden van het beroep te vermelden. De rechtbank stelt vast dat eiser in het beroepschrift geen gronden van beroep heeft vermeld.
2. De griffier heeft eiser bij brief van 10 februari 2020 erop gewezen dat hij niet had voldaan aan deze verplichting en heeft daarbij de gelegenheid geboden het verzuim te herstellen binnen de in de brief gestelde termijn van vier weken na verzending van de brief. Bij aangetekende brief van 19 maart 2020 is eiser medegedeeld dat op het eerdere verzoek om de gronden van beroep geen reactie is ontvangen. Eiser is voorts verzocht om binnen zeven weken na verzending van deze brief alsnog de gronden van beroep toe te sturen. Eiser is er in deze brief op gewezen dat indien er van deze gelegenheid geen gebruik wordt gemaakt, de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk kan verklaren.
3. De rechtbank constateert dat de gestelde termijn is verstreken zonder dat de gronden van het beroep zijn overgelegd. Ook buiten de gestelde termijn heeft de rechtbank tot op heden de gronden van beroep niet ontvangen. Het beroep is dan ook kennelijk niet-ontvankelijk. Daarom zal de rechtbank de zaak zonder behandeling ter zitting afdoen als hierna vermeld.
4. Bij deze beslissing is in aanmerking genomen het gestelde in de artikelen 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, 6:6, aanhef en onder a, en 8:54, eerste lid, onder b, van de Awb.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H.J.G. Römers, rechter, in aanwezigheid van
B.C. van Sprundel-Thelosen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
10 juli 2020.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen en andere belanghebbenden verzet doen bij de rechtbank. De termijn voor het indienen van een verzetschrift bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na de verzending van deze uitspraak.
Artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb luidt als volgt:
Het bezwaar- of beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste de gronden van het bezwaar of beroep.
Artikel 6:6, aanhef en onder a, van de Awb luidt als volgt:
Indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of Pro aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, kan die niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
Artikel 8:54, eerste lid, onder b, van de Awb luidt als volgt:
Totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting van de bestuursrechter te verschijnen, kan de bestuursrechter het onderzoek sluiten, indien de voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is.