ECLI:NL:RBZWB:2020:3164

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
20 juli 2020
Publicatiedatum
20 juli 2020
Zaaknummer
02/374600 HA RK 20-153
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Wraking
Rechters
  • Van Kralingen
  • Kok
  • Breeman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing niet-ontvankelijkheid wrakingsverzoek tegen bestuursrechter in belastingzaak

Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen de bestuursrechter die de belastingzaak behandelde, stellende dat de rechter vooringenomen is vanwege zijn positie binnen het bestuursrecht en het Nederlandse rechtssysteem.

De wrakingskamer beoordeelde het verzoek aan de hand van artikel 8:15 Awb Pro en concludeerde dat de vermeende vooringenomenheid niet betrekking had op de individuele rechter, maar op het gehele bestuursrechtelijk systeem. Een dergelijk algemeen bezwaar tegen het rechtssysteem is onvoldoende voor wraking.

Daarom werd het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk verklaard en werd de behandeling van de hoofdzaak voortgezet zoals die was ten tijde van het verzoek. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de bestuursrechter is niet-ontvankelijk verklaard en de hoofdzaak wordt voortgezet.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Wrakingskamer
Locatie: Breda
Procedurenummer: 02/374600 HA RK 20-153
Beslissing van 20 juli 2020 inzake het wrakingsverzoek ex artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van:
[verzoeker]
woonachtig aan de [adres] ,
verzoeker.

1.Procesverloop

Het verloop van de procedure blijkt onder meer uit:
  • het wrakingsverzoek, met bijlage, ontvangen per e-mail van 15 juli 2020;
  • de processtukken zoals opgenomen in het dossier van de rechtbank in de hoofdzaak.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt tot wraking van mr. Bastiaansen (hierna: de rechter), belast met de behandeling van het door verzoeker ingediende beroep in de zaak met zaaknummer BRE 19/3000 IB/PVV, op de gronden die verzoeker heeft uiteengezet in het wrakingsverzoek.

3.Feiten

In de hoofdzaak heeft verzoeker beroep aangetekend tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van de Belastingdienst, in welke uitspraak het bezwaar van verzoeker, tegen de aan hem opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2014, niet-ontvankelijk is verklaard.

4.Het standpunt van verzoeker

Verzoeker heeft aangevoerd, kort weergegeven, dat de rechter de schijn van vooringenomenheid heeft gewekt doordat:
  • verzoeker een soeverein mens is van vlees en bloed en hij nooit akkoord is gegaan met het beleid van het huidige rechtssysteem en belastingsysteem en hij niet onder het bestuursrecht valt. De rechter is bestuursrechter en dus verdedigt hij het bestuursrecht van de Staat, niet dat van natuurlijke soevereine mensen. Daarom is de rechter partijdig, vooringenomen en onrechtvaardig. Daarom wraakt verzoeker de rechter, en de rechtspraak in het algemeen;
  • verzoeker geen (zielen)contract of overeenkomst heeft met de rechter en dat evenmin wil hebben. Omdat de rechter wetten verdedigt van bestuursrecht en van een onrechtvaardig systeem – niet dat van verzoeker of andere burgers – is hij partijdig;
  • verzoeker nooit een contract heeft ondertekend, noch overeenstemming of instemming is aangegaan met de Staat der Nederlanden, de rechtspraak, de Belastingdienst, etc. Hij is nooit geïnformeerd of akkoord gegaan met eigendomsrecht en beschikkingsrecht over zijn natuurlijke persoon. Hij heeft nooit toestemming gegeven aan de Staat om te speculeren op zijn levensverzekering met BSN-nummer.

5.De beoordeling

Beoordelingskader
5.1.
Op grond van artikel 8:15 van Pro de Awb kan een partij elk van de rechters die een zaak behandelen wraken op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
5.2.
Voorop moet worden gesteld, dat bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van een rechter als uitgangspunt geldt, dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat een rechter ten aanzien van een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.
Ten aanzien van de wrakingsgronden
5.3.
Uit het wrakingsverzoek en de daarbij gevoegde bijlage maakt de wrakingskamer op dat verzoeker van mening is dat hij niet valt onder het Nederlandse rechtssysteem en een bijzonder sterk wantrouwen koestert tegenover alle (bestuurs)rechters. De wrakingsgronden zijn in wezen gericht tegen alle (bestuurs)rechters (van de rechtbank Zeeland-West-Brabant). Dit kan niet als een feit of omstandigheid worden aangemerkt dat specifiek betrekking heeft op de persoon van de rechter. Daarnaast is een verzoek om wraking van een rechterlijk college, of een heel team van een dergelijk college, als zodanig geen wrakingsverzoek waarop de in 5.1 genoemde bepaling doelt. Een dergelijk wrakingsverzoek is dan ook niet mogelijk.
5.4.
Dit betekent dat het wrakingsverzoek kennelijk niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard.

6.Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het verzoek tot wraking niet-ontvankelijk;
  • bepaalt dat de behandeling van de zaak met zaaknummer: BRE 19/3000 IB/PVV zal worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de indiening van dit verzoek.
Deze beslissing is gegeven op 20 juli 2020, door mr. Van Kralingen, voorzitter, mr. Kok en mr. Breeman, leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van mr. Van Wijk, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De voorzitter,
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.