Op 16 augustus 2018 vond een incident plaats waarbij [aangeefster] aangaf door verdachte te zijn gedwongen tot seksuele handelingen. Zij deed aangifte van verkrachting en aanranding, ondersteund door verklaringen van haar begeleiders en DNA-sporen van verdachte op haar lichaam.
Verdachte ontkende dwang en verklaarde dat de seksuele handelingen met toestemming plaatsvonden. De rechtbank stelde vast dat de verklaringen van verdachte en [aangeefster] tegenover elkaar stonden en dat er geen aanvullend steunbewijs was dat de dwang kon bevestigen.
De verklaringen van de begeleiders waren afgeleid van wat [aangeefster] hen had verteld en konden daarom niet als onafhankelijk steunbewijs gelden. Ook was er onvoldoende bewijs dat verdachte wist dat [aangeefster] vanwege haar psychische toestand niet in staat was haar wil te bepalen.
Gezien het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs sprak de rechtbank verdachte vrij van alle tenlastegelegde feiten. De vordering tot schadevergoeding van [aangeefster] werd niet-ontvankelijk verklaard.