Belanghebbende, een in Nederland woonachtige Duitse staatsburger, maakte bezwaar tegen de aanslagen inkomstenbelasting (IB) over 2016 en 2017 die betrekking hadden op zijn Duitse pensioenuitkeringen. De kern van het geschil betrof de vraag of Duitse premies voor ziektekosten en de Nederlandse heffingskorting in mindering mochten worden gebracht op het belastbaar inkomen uit werk en woning.
De rechtbank oordeelde dat de Duitse zorgpremies niet aftrekbaar zijn in de Nederlandse IB-heffing, omdat de Wet IB 2001 deze premies niet als aftrekpost erkent. Ook kan de heffingskorting niet worden verrekend met het belastbaar inkomen, maar alleen met de verschuldigde belasting. Daarnaast werd geoordeeld dat er geen sprake is van discriminatie op grond van het belastingverdrag met Duitsland.
Ten aanzien van de aanslag 2017 stelde de rechtbank vast dat de inspecteur in strijd met het verbod op reformatio in peius het verzamelinkomen bij uitspraak op bezwaar had verhoogd, waardoor belanghebbende in een slechtere positie kwam. Dit leidde tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en gegrondverklaring van het beroep tegen de aanslag 2017.
De rechtbank wees het beroep tegen de aanslag 2016 af en gelastte de inspecteur het betaalde griffierecht aan belanghebbende te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door rechter S.A.J. Bastiaansen op 24 juli 2020 te Breda.