Uitspraak
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
5.De benadeelde partij
6.De vordering tot tenuitvoerlegging
7.De beslissing
spreekt verdachte vrijvan de tenlastegelegde feiten;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Verdachte werd beschuldigd van poging tot doodslag door het steken van [Naam 1] met een mes, bedreiging met een mes van [Naam 1] en [Naam 2], en wederrechtelijk binnendringen in de woning van [Naam 2]. De officier van justitie baseerde zich op verklaringen van de slachtoffers en een verbalisant die een verwonding constateerde.
De verdediging stelde dat het cruciale bewijs, de verklaring van [Naam 1], niet getoetst kon worden omdat [Naam 1] onvindbaar was en niet kon worden gehoord, wat een schending van het ondervragingsrecht (artikel 6 EVRM Pro) opleverde. De rechtbank oordeelde dat deze verklaring beslissend was voor de bewezenverklaring en dat onvoldoende compenserende maatregelen waren getroffen om de betrouwbaarheid ervan te toetsen.
Hierdoor werd de verklaring van [Naam 1] uitgesloten van het bewijs, waardoor onvoldoende wettig bewijs overbleef om verdachte te veroordelen. De rechtbank sprak verdachte vrij van alle tenlastegelegde feiten. De vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke straf werd afgewezen en de benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in haar schadevordering.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens schending van het ondervragingsrecht en onvoldoende wettig bewijs na bewijsuitsluiting.