ECLI:NL:RBZWB:2020:3553
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Veroordeling UWV in proceskosten na intrekking beroepen arbeidsongeschiktheidsuitkering
Verzoekster had twee beroepen ingesteld tegen besluiten van het UWV over haar recht op arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, geregistreerd onder zaaknummers BRE 19/900 WIA en BRE 19/4770 WIA. Na wijziging van de besluiten door het UWV op 30 april 2020 trok verzoekster haar beroepen in en verzocht de rechtbank het UWV te veroordelen in de proceskosten.
De rechtbank overwoog dat het UWV aan verzoekster was tegemoetgekomen door de besluiten te wijzigen, waardoor aan de voorwaarden van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb was voldaan om het UWV in de proceskosten te veroordelen. De rechtbank stelde de proceskosten vast op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht, waarbij de kosten voor rechtsbijstand in beide zaken werden berekend aan de hand van punten en een waarde per punt.
De rechtbank wees erop dat het griffierecht van € 47,- reeds door het UWV aan verzoekster vergoed moet worden op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb, zodat een veroordeling daarvoor niet nodig was. Uiteindelijk veroordeelde de rechtbank het UWV tot betaling van € 2.231,25 aan proceskosten voor zaak BRE 19/900 WIA en € 1.706,25 voor zaak BRE 19/4770 WIA.
Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten aan verzoekster na wijziging van de besluiten en intrekking van de beroepen.