Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van de minister van Buitenlandse Zaken om de aanvraag voor een Nederlands paspoort voor zijn zoon, geboren via hoogtechnologisch draagmoederschap in Oekraïne, buiten behandeling te laten. De voorzieningenrechter heeft de zaak behandeld op 30 juli 2020 en oordeelt dat onverwijlde spoed bestaat vanwege het belang van het kind en het gezin.
De voorzieningenrechter weegt het belang van het kind, dat staatloos is en niet kan worden voorzien van een Oekraïens paspoort, en de wens van verzoeker om het gezin in Nederland te laten samenleven. De minister stelt dat de Paspoortwet geen ruimte laat voor belangenafwegingen en dat alleen Nederlanders recht hebben op een paspoort. Verzoeker betwist dit en wijst op het recht op naam en nationaliteit van het kind volgens het IVRK.
Gezien de humanitaire noodzaak en het spoedeisende belang wijst de voorzieningenrechter het verzoek toe en beveelt de minister binnen twee weken een nooddocument te verstrekken, waarmee de zoon tijdelijk in Nederland kan verblijven. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.