ECLI:NL:RBZWB:2020:3740
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Terugvordering van teveel betaalde WAO-uitkering door UWV bevestigd
Eiser ontving een WAO-uitkering naast inkomsten uit zelfstandige arbeid. Het UWV stelde vast dat over de periode 2011-2016 een bedrag van €56.113,98 onverschuldigd was betaald en vorderde dit terug. Eiser voerde aan dat de terugvordering onterecht is vanwege schending van het zorgvuldigheids- en rechtszekerheidsbeginsel en stelde zich op het standpunt dat de vordering verjaard zou zijn.
De rechtbank oordeelde dat de terugvordering gebaseerd is op besluiten van 2 juli 2018, waartegen hoger beroep loopt, maar dat dit de werking van het terugvorderingsbesluit niet schorst. Er was geen aanwijzing dat de uitkering als voorschot was verstrekt. De verjaringstermijn van vijf jaar vangt aan op het moment dat het UWV bekend werd met de klasse-overstijgende inkomsten, namelijk 19 juni 2018. De terugvordering van 2 november 2018 ligt daarmee binnen de verjaringstermijn.
Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat niet is gebleken dat het UWV een toezegging heeft gedaan dat terugvordering achterwege zou blijven. Ook het beroep op dringende reden om van terugvordering af te zien wordt verworpen, omdat eiser geen onderbouwde medische verklaring over psychische klachten heeft overgelegd en de financiële consequenties onvoldoende zijn aangetoond.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat het UWV de teveel betaalde uitkering terecht terugvordert. Er is geen aanleiding de hoogte van de terugvordering aan te tasten en geen proceskostenveroordeling wordt opgelegd.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de terugvordering van €56.113,98 door het UWV.