ECLI:NL:RBZWB:2020:3742

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
11 augustus 2020
Publicatiedatum
12 augustus 2020
Zaaknummer
AWB- 20_5804
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens niet-betaling griffierecht bij AOW-uitkeringsherziening

Eiser heeft op 30 maart 2020 beroep ingesteld tegen het besluit van de Sociale Verzekeringsbank (Svb) waarin zijn AOW-uitkering was herzien en teruggevorderd. De rechtbank wees eiser schriftelijk op de verplichting tot betaling van griffierecht. Na het verzoek tot betaling ontving de rechtbank geen betaling. Op 8 mei 2020 stuurde de rechtbank een aangetekende betalingsherinnering met de waarschuwing dat bij uitblijven van betaling het beroep niet-ontvankelijk zou worden verklaard.

De griffierechtbetaling bleef uit binnen de gestelde termijn van vier weken na de herinnering. De rechtbank oordeelde dat het beroep daarom kennelijk niet-ontvankelijk is en besloot het niet op een zitting te behandelen. Dit oordeel is gebaseerd op de wettelijke bepalingen in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) die voorschrijven dat bij niet-tijdige betaling van griffierecht het beroep niet-ontvankelijk is, tenzij er sprake is van een redelijk excuus.

De rechtbank heeft het beroep van eiser derhalve niet-ontvankelijk verklaard. Partijen is medegedeeld dat zij binnen zes weken verzet kunnen aantekenen tegen deze uitspraak. De uitspraak is gedaan door rechter P.H.J.G. Römers en griffier H.D. Sebel op 11 augustus 2020 en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht binnen de gestelde termijn.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 20/5804 AOW

uitspraak van 11 augustus 2020 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], te [plaatsnaam], eiser,

gemachtigde: mr. G.J. de Kaste,
en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb), verweerder.

Procesverloop

Gemachtigde van eiser heeft op 30 maart 2020 namens eiser beroep ingesteld tegen het besluit op bezwaar van de Svb van 18 februari 2020. Met dat besluit zijn eisers bezwaren tegen de besluiten van 19 augustus 2019, waarbij zijn uitkering op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) is herzien en teruggevorderd, niet-ontvankelijk verklaard.

Overwegingen

In de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de verplichting opgenomen om griffierecht te betalen. Gemachtigde van eiser is ook schriftelijk gewezen op deze verplichting. Na dit verzoek is echter geen betaling ontvangen. De rechtbank heeft daarom op 8 mei 2020 aan gemachtigde van eiser een aangetekende betalingsherinnering gestuurd. Daarin heeft de rechtbank meegedeeld dat het griffierecht nog niet is ontvangen en dat dat alsnog binnen
4 weken moet zijn overgemaakt, met de waarschuwing dat als het griffierecht niet op tijd wordt overgemaakt het risico bestaat dat het beroep van eiser niet-ontvankelijk wordt verklaard.
De rechtbank stelt vast dat het griffierecht niet binnen 4 weken na 8 mei 2020 is ontvangen. Zij zal het beroep daarom kennelijk niet-ontvankelijk verklaren en niet op een zitting behandelen.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H.J.G. Römers, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.D. Sebel, griffier, op 11 augustus en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen en andere belanghebbenden verzet doen bij de rechtbank. De termijn voor het indienen van een verzetschrift bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na de verzending van deze uitspraak.
WETTELIJK KADER
Artikel 8:41, eerste lid, van de Awb luidt als volgt:
Van de indiener van het beroepschrift wordt door de griffier een griffierecht geheven.
Artikel 8:41, vierde lid, van de Awb luidt als volgt:
De griffier deelt de indiener van het beroepschrift mede welk griffierecht is verschuldigd en wijst hem daarbij op het bepaalde in het vijfde en zesde lid.
Artikel 8:41, vijfde lid, van de Awb luidt als volgt:
Het griffierecht dient binnen vier weken na verzending van de mededeling van de griffier te zijn bijgeschreven op de rekening van het gerecht dan wel ter griffie te zijn gestort.
Artikel 8:41, zesde lid, van de Awb luidt als volgt:
Indien het bedrag niet tijdig is bijgeschreven of gestort, is het beroep niet-ontvankelijk, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
Artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb luidt als volgt:
Totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting van de bestuursrechter te verschijnen, kan de bestuursrechter het onderzoek sluiten, indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is.