ECLI:NL:RBZWB:2020:3947

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
24 augustus 2020
Publicatiedatum
24 augustus 2020
Zaaknummer
AWB- 20 _ 7117
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 7:1 AwbArt. 6:12 AwbArt. 4:13 AwbArt. 4:14 Awb
Verwijzingen
11 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet tijdig besluit handhavingsverzoek geluidsoverlast supermarkt

Eiser heeft een verzoek tot handhaving ingediend tegen geluidsoverlast veroorzaakt door een supermarkt nabij zijn woning. Het college van burgemeester en wethouders van Terneuzen heeft niet tijdig op dit verzoek beslist, ondanks een verlenging van de beslistermijn met acht weken. Eiser stelde het college vervolgens in gebreke en diende beroep in wegens het niet tijdig nemen van een besluit.

De rechtbank oordeelt dat het college de beslistermijn heeft overschreden en dat het onderzoek naar de geluidsoverlast pas na het verstrijken van de termijn is gestart. Het meewerken van eiser aan het onderzoek betekent geen instemming met de verlenging van de beslistermijn. Het beroep wordt gegrond verklaard, het college wordt veroordeeld tot het nemen van een besluit binnen twee weken en het opleggen van een dwangsom van €100 per dag bij overschrijding, met een maximum van €15.000.

Daarnaast wordt het college veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van eiser. De rechtbank stelt de reeds verbeurde dwangsom vast op €1.442. De uitspraak is gedaan door rechter Van de Sande en openbaar gemaakt op 24 augustus 2020.

Uitkomst: Het college wordt veroordeeld binnen twee weken een besluit te nemen en een dwangsom opgelegd bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 20/7117 GEMWT

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 augustus 2020 in de zaak tussen

[naam eiser] , te [plaatsnaam] , eiser

gemachtigde: mr. M.M. Breukers,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Terneuzen,verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door het college inzake zijn verzoek om handhaving.
De rechtbank heeft besloten het beroep versneld te behandelen, onder toepassing van afdeling 8.2.3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De rechtbank heeft vervolgens toepassing gegeven aan artikel 8:54, eerste lid, van de Awb, zodat een behandeling ter zitting achterwege is gebleven.

Overwegingen

1. Op grond van de gedingstukken gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en
omstandigheden.
Eiser is woonachtig boven de [naam supermarkt] ( [straatnaam supermarkt] te [plaatsnaam] ). Hij heeft bij brief van 2 februari 2020 het college verzocht om handhaving van de milieuwetgeving en op te treden tegen overtredingen van het geluidsvoorschrift uit het Activiteitenbesluit door de [naam supermarkt] .
Het college heeft bij brief van 26 maart 2020 de beslistermijn met acht weken verdaagd, onder meer in verband met het verrichten van onderzoek.
Eiser heeft het college bij brief van 27 mei 2020 in gebreke gesteld en verzocht alsnog binnen twee weken een besluit te nemen.
Bij brief van 19 juni 2020 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn handhavingsverzoek.
Het college heeft bij brief van 8 juli 2020 een verweerschrift ingediend. Het college geeft aan dat een specialistisch akoestisch bureau is gevraagd geluidsonderzoek te doen. Eiser is telefonisch op 15 juni 2020 medegedeeld dat de beslistermijn op het handhavingsverzoek hierdoor niet wordt gehaald en is verzocht mee te werken aan het geluidsonderzoek. Op 3 juli 2020 is een offerte van het akoestisch bureau ontvangen en dit bureau kan op korte termijn metingen uitvoeren. Bij brief van 2 juli 2020 is aan eiser aangegeven dat binnen een week een afspraak zal worden gemaakt voor de metingen en binnen drie weken na meting de rapportage verwacht wordt. Daarna zal het college een besluit nemen op het handhavingsverzoek.
2. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld (artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb). Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen (artikel 6:12, tweede lid, van de Awb).
3. Het bestuursorgaan moet in dit geval binnen een redelijke termijn beslissen en die is in ieder geval verstreken als er acht weken na het indienen van de aanvraag zijn verstreken (artikel 4:13, eerste en tweede lid, van de Awb). Eisers verzoek om handhaving is bij het college op 4 februari 2020 ontvangen. Het college heeft de beslistermijn met acht weken verdaagd (artikel 4:14, derde lid, van de Awb). Daaruit volgt dat het college uiterlijk op 26 mei 2020 had moeten beslissen. De rechtbank stelt vast dat deze beslistermijn is
overschreden. De rechtbank stelt vervolgens vast dat eiser het college bij brief van 27 mei 2020 in gebreke heeft gesteld. Sindsdien zijn (meer dan) twee weken verstreken. De mededeling van het college dat de beslistermijn niet kan worden gehaald, omdat het onderzoek naar de geluidsoverlast nog lopende is, heeft plaatsgevonden nadat de beslistermijn was verstreken. Het onderzoek is ook pas opgestart na het verstrijken van die termijn. Daarbij komt dat het meewerken aan een onderzoek niet betekent dat eiser heeft ingestemd met verlenging van de beslistermijn. Niet gebleken is dat het college inmiddels een besluit heeft genomen op het handhavingsverzoek.
Het beroep is kennelijk gegrond.
4. Ingevolge artikel 8:55c van de Awb stelt de rechtbank, indien het beroep gegrond is, desgevraagd tevens de hoogte van de ingevolge afdeling 4.1.3 verbeurde dwangsom vast.
Niet gebleken is dat het college de hoogte van de dwangsom heeft vastgesteld. De rechtbank zal daarom de verbeurte en de hoogte van de dwangsom vaststellen. De ingebrekestelling heeft een dagtekening 27 mei 2020. Het college heeft niet aangegeven wanneer de ingebrekestelling is ontvangen. De rechtbank gaat ervan uit dat de ingebrekestelling de dag na dagtekening bij het college is ontvangen. Vanaf de 15e dag na ontvangst van de ingebrekestelling is een dwangsom verschuldigd. Het college heeft nog altijd niet beslist op eisers verzoek om handhaving. De dwangsom is volledig volgelopen en bedraagt € 1.442,-.
5. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb bepaalt de rechtbank als het beroep gegrond is en nog geen besluit is bekendgemaakt dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekendmaakt.
Gelet op het tijdverloop na het opstarten van het onderzoek, ziet de rechtbank geen aanleiding om de beslistermijn op een langere termijn dan binnen twee weken na verzending van deze uitspraak te bepalen.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb en in overeenstemming met het landelijke beleid (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl) dat het college een dwangsom van € 100,- verschuldigd is voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-.
6. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat het college aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.
7. De rechtbank veroordeelt het college in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 262,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit op het
handhavingsverzoek;
- stelt de door het college verbeurde dwangsom vast op € 1442,-;
- draagt het college op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak
alsnog een besluit op het handhavingsverzoek bekend te maken;
- bepaalt dat het college aan eiser een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag
waarmee het de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van
€ 15.000,-;
- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 178,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt het college in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 262,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van M.H.A. de Graaf, griffier, op 24 augustus 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak te tekenen.
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunnen partijen en andere belanghebbenden verzet doen bij de rechtbank. De termijn voor het indienen van een verzetschrift bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na de verzending van deze uitspraak.