Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2020:3983

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
26 augustus 2020
Publicatiedatum
25 augustus 2020
Zaaknummer
02/004588-19
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
  • Van der Weide
  • Kooijman
  • Diepenhorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 369 SvArt. 313 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak verdachte medeplegen afpersing en heling telefoon in Tilburg

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 12 augustus 2020 de zaak tegen verdachte die werd verdacht van medeplegen van afpersing en diefstal met geweld, alsmede heling van een telefoon in Tilburg op of omstreeks 27 oktober 2018. De tenlastelegging werd gewijzigd en omvatte primair medeplegen van diefstal met geweld en subsidiair heling.

De officier van justitie verzocht om vrijspraak omdat verdachte weliswaar aanwezig was op het plein waar het incident plaatsvond, maar niet actief betrokken was bij de diefstal of het geweld. Verdachte zelf bevestigde dit en verklaarde op afstand te hebben toegekeken en de telefoon niet in bezit te hebben gehad.

De rechtbank stelde vast dat verdachte samen met anderen naar het plein was gegaan vanwege een conflict, maar dat uit de verklaringen en het dossier niet wettig en overtuigend kon worden bewezen dat verdachte actief deelnam aan de diefstal met geweld of de telefoon in bezit had. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van zowel het primair als het subsidiair tenlastegelegde.

De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank op 26 augustus 2020 in Breda.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken van medeplegen afpersing/diefstal met geweld en heling wegens onvoldoende bewijs.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02/004588-19
vonnis van de meervoudige kamer van 26 augustus 2020
in de strafzaak tegen
[verdachte]
geboren op [geboortedag verdachte] 2000 te [geboorteplaats verdachte]
wonende te ( [adres verdachte]

1.Onderzoek van de zaak

Overeenkomstig artikel 369 van Pro het wetboek van strafvordering heeft de politierechter de zaak naar deze kamer verwezen. De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van
12 augustus 2020, waarbij de officier van justitie, mr. Van der Hamsvoord, en verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van Pro het Wetboek van Strafvordering. De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat primair verdachte samen met anderen [slachtoffer] door geweld heeft gedwongen tot afgifte van zijn telefoon en/of door geweld de telefoon van [slachtoffer] heeft gestolen dan wel subsidiair dat verdachte samen met anderen de telefoon heeft geheeld.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie verzoekt om verdachte integraal van het tenlastegelegde vrij te spreken. Voor het primair tenlastegelegde geldt dat weliswaar kan worden vastgesteld dat verdachte op het plein aanwezig was, maar uit de eigen verklaring van verdachte en de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2] blijkt dat verdachte van een afstand heeft toegekeken. Niet kan worden vastgesteld dat verdachte actief betrokken is geweest bij de diefstal van de telefoon en het geweld dat daarbij is toegepast. Ook kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte de telefoon voorhanden heeft gehad.
4.2
Het standpunt van verdachte
Verdachte benadrukt dat hij niet betrokken is geweest bij de diefstal met geweld. Verdachte was op het plein aanwezig, maar heeft op 10 à 15 meter afstand een sigaretje staan roken. Ook heeft hij in de auto de gestolen telefoon niet voorhanden gehad. Verdachte is het met de officier van justitie eens dat hij moet worden vrijgesproken.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat er op of omstreeks 27 oktober 2018 een diefstal met geweld heeft plaatsgevonden in Tilburg. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat er in het dossier feiten en omstandigheden naar voren komen die belastend zijn voor verdachte en die erop wijzen dat verdachte mogelijk betrokken is geweest bij voornoemde diefstal met geweld. Zo is hij samen met de verdachten naar het plein in Tilburg gegaan, omdat [naam] , de zus van medeverdachte [medeverdachte 3] , onenigheid had met aangever. Ze gingen bij aangever ‘verhaal’ halen, aldus verdachte. Ook was hij aanwezig op het plein op het moment dat de diefstal met geweld plaatsvond. Uit de aangifte kan echter niet worden afgeleid dat verdachte bij de diefstal met geweld betrokken is geweest. Dit ondersteunt de verklaring van verdachte, alsook de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2] dat ze samen op afstand hebben gestaan. De rechtbank acht daarom niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan en zal hem dan ook van het primaire feit vrijspreken.
Ten aanzien van het subsidiaire ten laste gelegde feit overweegt de rechtbank dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte een telefoon heeft verworven, voorhanden heeft gehad of overgedragen. De telefoon is door medeverdachte [medeverdachte 1] afgenomen van aangever en uiteindelijk aangetroffen bij medeverdachte [medeverdachte 2] . Hoewel [medeverdachte 2] heeft verklaard dat de telefoon in de auto is rondgegaan, ontkent verdachte stellig dat hij de telefoon voorhanden heeft gehad. De rechtbank is van oordeel dat op basis van het dossier en de behandeling ter terechtzitting niet kan worden vastgesteld dat verdachte de telefoon voorhanden heeft gehad. De rechtbank zal verdachte dan ook tevens vrijspreken van de subsidiair tenlastegelegde heling.

5.De beslissing

De rechtbank:
Vrijspraak
-
spreekt verdachte vrijvan het primair en subsidiair tenlastegelegde.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van der Weide, voorzitter, mr. Kooijman en mr. Diepenhorst, rechters, in tegenwoordigheid van mr. De Koster, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 26 augustus 2020.

6.Bijlage I

De tenlastelegging
Primairhij op of omstreeks 27 oktober 2018 te Tilburg tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een telefoon en/of sleutels, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan die [slachtoffer] of aan een derde, te weten aan [aangever] toebehoorde, door die [slachtoffer] te bedreigen door hem te dreigen te slaan en/of te stompen en/of met kracht in het gezicht te slaan en/of te stompen
en/of
hij op of omstreeks 27 oktober 2018 te Tilburg tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een telefoon en/of sleutels, in elk geval enige goederen, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn/haar mededader(s) toebehoorde, te weten aan [slachtoffer] en/of [aangever] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [slachtoffer] te bedreigen door hem te dreigen te slaan en/of te stompen en/of met kracht in het gezicht te slaan en/of te stompen;
Subsidiair
hij op of omstreeks 27 oktober 2018 te Tilburg, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een goed, te weten een telefoon heeft verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist(en) en/of redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.