ECLI:NL:RBZWB:2020:4147
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen schorsing rijbewijs en onderzoek rijgeschiktheid
Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het CBR om een onderzoek naar haar rijgeschiktheid op te leggen en haar rijbewijs te schorsen, naar aanleiding van een melding na een verkeersongeval en een vermoeden van ongeschiktheid. Zij verzocht om een voorlopige voorziening om het besluit te schorsen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoekster geen spoedeisend belang had bij het treffen van een voorlopige voorziening. Zij kon zich sinds het besluit zonder rijbewijs redden door haar kind op de fiets of met openbaar vervoer naar school te brengen en tijdig op haar werk te verschijnen. Haar stelling dat zij binnenkort een leidinggevende functie krijgt die eerder aanwezig zijn vereist, was onvoldoende onderbouwd.
Het CBR baseerde het besluit mede op een proces-verbaal waarin verzoekster verklaarde de bestuurder te zijn geweest onder invloed van alcohol met een ademalcoholgehalte van 805 µg/l. De voorzieningenrechter vond het vermoeden van ongeschiktheid voldoende en zag geen reden het besluit als evident onrechtmatig te beschouwen.
Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het CBR-besluit tot schorsing van het rijbewijs en onderzoek naar rijgeschiktheid wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.