Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende parkeerde op 2 februari 2019 een auto in een gebied waar parkeerbelasting verschuldigd is. Tijdens een controle werd vastgesteld dat geen betaling had plaatsgevonden, waarna een naheffingsaanslag werd opgelegd.
Belanghebbende voerde aan dat het ging om halen en brengen en niet om parkeren, en klaagde over slechte communicatie en onredelijkheid van het systeem. De heffingsambtenaar stelde dat de naheffingsaanslag terecht was opgelegd omdat de auto ongeveer tien minuten geparkeerd stond zonder betaling.
De rechtbank oordeelde dat de bewijslast bij de heffingsambtenaar lag en dat deze was voldaan. Het begrip 'onmiddellijk in- of uitstappen' werd strikt uitgelegd, waarbij een periode van circa tien minuten niet als zodanig werd beschouwd. Er was dus sprake van parkeren en niet van halen en brengen.
De naheffingsaanslag was daarom terecht opgelegd. De rechtbank wees het beroep af en zag geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting is ongegrond verklaard omdat de parkeerbelasting niet was voldaan tijdens het parkeren.