De moeder van een meerderjarige met een verstandelijke beperking verzocht de rechtbank om een beschermingsbewind in te stellen over de goederen van haar zoon, die recent 20 jaar was geworden. De moeder maakte zich ernstige zorgen over de financiële situatie van haar zoon, die schulden had opgebouwd en zijn belangen niet goed kon behartigen. De instelling SDW, die de jongvolwassene begeleidt, ondersteunde dit verzoek en de voorgestelde professionele bewindvoerder was bereid en geschikt om de taak op zich te nemen.
De rechthebbende verzette zich echter vanaf het begin tegen het verzoek en weigerde medewerking aan een eventuele onderbewindstelling. Tijdens de zittingen bleek dat hij in staat was zijn wil te uiten en normaal te communiceren, maar niet in te zien waarom hij hulp nodig zou hebben. De kantonrechter constateerde dat de verstandelijke beperking van de rechthebbende hem belemmert het belang van het bewind te overzien, maar dat voor een succesvolle onderbewindstelling wederzijds vertrouwen en medewerking essentieel zijn.
Omdat deze basisvoorwaarden ontbraken en de bewindvoerder zijn taak niet adequaat kon uitvoeren zonder medewerking van de rechthebbende, wees de kantonrechter het verzoek af. De beslissing geeft de rechthebbende de kans om zijn vermogensrechtelijke belangen zelf te behartigen, mede gezien zijn recente baan bij het Werkvoorzieningsschap en de ondersteuning vanuit SDW.