Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende parkeerde op 1 februari 2019 zijn auto op een binnenplein aan de [adres] te [plaats], waar volgens de parkeerverordening van de gemeente Breda parkeerbelasting verschuldigd is. Tijdens een controle werd vastgesteld dat geen parkeerbelasting was betaald, waarna een naheffingsaanslag werd opgelegd.
Belanghebbende voerde aan dat er geen zonebord stond bij het inrijden van de straat en dat alleen als de paal bij het binnenplein omlaag staat, parkeerbelasting verschuldigd is. Hij stelde dat hij als gast van een bewoner parkeerde en de paal omhoog had gezet, maar dat iemand anders deze later omlaag had gezet. De heffingsambtenaar lichtte toe dat de paal bedoeld is om ’s avonds en ’s nachts het plein af te sluiten en dat het plein overdag publieke ruimte is waar parkeerbelasting geldt.
De rechtbank oordeelde dat de parkeerbelasting terecht is opgelegd omdat het plein hoofdzakelijk publieke ruimte is en het risico dat de paal omlaag wordt gezet voor rekening van de parkeerder komt. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat geen bewijs was geleverd dat in vergelijkbare gevallen anders was gehandeld. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting wordt ongegrond verklaard.