ECLI:NL:RBZWB:2020:5035

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 oktober 2020
Publicatiedatum
16 oktober 2020
Zaaknummer
AWB- 20_8565 VV
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:82 AwbArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens niet-betaling griffierecht en uitblijven reactie

Verzoekster heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen een besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen waarbij haar bezwaar niet-ontvankelijk werd verklaard wegens termijnoverschrijding. De rechtbank heeft op grond van artikel 8:83 derde Pro lid Awb besloten dat een zitting achterwege kon blijven.

De griffier heeft verzoekster een nota griffierecht gestuurd met het verzoek dit binnen veertien dagen te voldoen. De nota is niet afgehaald en het griffierecht is niet betaald. Daarnaast is verzoekster verzocht uit te leggen waarom spoed geboden is, maar zij heeft ook hier niet op gereageerd.

Op basis van deze feiten concludeert de voorzieningenrechter dat het verzoek niet-ontvankelijk is en verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van griffierecht en het uitblijven van een reactie op het verzoek om spoedmotivering.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 20/8565 WIA VV

uitspraak van 16 oktober 2020 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam verzoekster] , wonende te [woonplaats verzoekster] , verzoekster,

en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

Procesverloop

Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 4 oktober 2019 (bestreden besluit) waarin verweerder haar bezwaar tegen een besluit van 1 november 2017 niet-ontvankelijk heeft verklaard vanwege termijnoverschrijding. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven.

Overwegingen

1. In artikel 8:82 van Pro de Awb is bepaald dat degene die een verzoek om voorlopige voorziening indient griffierecht moet betalen.
2. De griffier heeft verzoekster op 24 september 2020, bij aangetekende brief, een nota griffierecht gezonden. Verzoekster is meegedeeld dat het griffierecht binnen veertien dagen op de bankrekening van de rechtbank dient te zijn bijgeschreven en dat het verzoek niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien het verschuldigde bedrag niet (tijdig) is betaald. De rechtbank heeft deze nota op 8 oktober 2020 retour ontvangen met de mededeling dat deze niet is afgehaald.
3. Verder heeft de griffier verzoekster bij brief van 25 september 2020 verzocht uit te leggen waarom haar zaak met spoed moet worden behandeld. Zij heeft hiervoor een termijn van één week gekregen. Ook in deze brief is vermeld dat bij het uitblijven van een tijdige reactie haar verzoek niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Verzoekster heeft hierop eveneens niet gereageerd.
4. Conclusie van het bovenstaande is dat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Sierkstra, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.J.J. Sterks, griffier op 16 oktober 2020 en is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Als u het niet eens bent met deze uitspraak

Tegen deze uitspraak is geen (hoger) beroep mogelijk.