Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Beschikking
[moeder] ,
[naam] ,
[vader] ,
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
Het procesverloop
De feiten
Het verzoek
De standpunten
De beoordeling
De beslissing
's-Hertogenbosch
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De moeder verzocht de rechtbank om het besluit van 4 augustus 2020 van de gecertificeerde instelling (GI) aan te merken als schriftelijke aanwijzing en dit besluit te vernietigen, zodat de rechtbank zelfstandig een contactregeling voor haar minderjarige kind kon vaststellen. De moeder wilde onder meer wekelijkse bezoeken met begeleiding en op termijn onbegeleid contact en overnachtingen. De vader en GI stelden zich op het standpunt dat het besluit een bepaling jeugdhulp is, bedoeld voor financiering van hulp en geen dwingend karakter heeft.
De rechtbank oordeelde dat het besluit van de GI geen schriftelijke aanwijzing is, maar een bepaling op grond van artikel 3.5 van de Jeugdwet, die geen rechtsgevolg heeft en niet kan worden aangevochten via bezwaar of beroep. De motivering in het besluit die sprak over contactbeperking werd gezien als een toelichting op de noodzaak van de hulpverlening en niet als een beperking van het contactrecht.
De rechtbank wees het verzoek van de moeder af en benadrukte het belang van voortgezet overleg tussen de moeder en GI over de mogelijkheden tot uitbreiding van het contact, waarbij de positieve ontwikkelingen van de moeder binnen het ouder-kind traject een rol spelen. Het verzoek tot het vaststellen van een contactregeling door de rechtbank werd daarmee niet toegewezen.
Uitkomst: Het verzoek van de moeder om het besluit als schriftelijke aanwijzing te kwalificeren en een contactregeling vast te stellen wordt afgewezen.