Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, een reclamebureau met 30 medewerkers, organiseerde in juni 2018 een personeelsreis naar een eiland, waarbij zakelijke en recreatieve activiteiten werden gecombineerd. De kosten van de reis werden deels als zakelijke kosten opgevoerd binnen de vrije ruimte van de loonheffing.
De inspecteur stelde dat de reis voornamelijk recreatief was en dat de gerichte vrijstelling van artikel 31a, tweede lid, Wet LB niet van toepassing was. Belanghebbende voerde aan dat de reis een zakelijk karakter had vanwege presentaties, communicatieopdrachten en inspiratiebezoeken.
De rechtbank oordeelde dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de reis overwegend zakelijk was. Het jubileum en het recreatieve karakter, het ontbreken van doorbetaling op weekenddagen en het ontbreken van een tijdelijk verblijf in de zin van de wet waren doorslaggevend. De afdracht van € 35.060 wegens overschrijding van de vrije ruimte werd bevestigd en het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de afdracht van loonheffing over de personeelsreis wordt ongegrond verklaard.