ECLI:NL:RBZWB:2020:5536

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 november 2020
Publicatiedatum
12 november 2020
Zaaknummer
02/821390-16
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
  • mr. De Weert
  • mr. Goossens
  • mr. Vliegenberg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beïnvloeding van getuigen in een strafzaak met betrekking tot medeplegen en georganiseerd verband

Op 12 november 2020 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van het opzettelijk beïnvloeden van getuigen. De zaak werd inhoudelijk behandeld op de zittingen van 15, 17 en 18 september 2020, waarbij de officieren van justitie, mr. Smale en mr. Van IJzendoorn, hun standpunten kenbaar maakten. De verdachte, geboren in 1967, werd bijgestaan door raadsman mr. L. de Leon. De rechtbank oordeelde dat de dagvaarding geldig was en dat de rechtbank bevoegd was. De officier van justitie werd ontvankelijk verklaard in de vervolging.

De tenlastelegging betrof het opzettelijk beïnvloeden van getuigen, waarbij de verdachte samen met anderen betrokken was. De rechtbank overwoog dat er geen sprake was van een schending van vormvoorschriften en dat de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 1] betrouwbaar waren, omdat deze steun vonden in andere bewijsmiddelen. De verdediging voerde aan dat er sprake was van een vormverzuim en dat de verklaringen van [medeverdachte 1] als onbetrouwbaar moesten worden aangemerkt, maar de rechtbank verwierp dit verweer.

De rechtbank concludeerde dat de verdachte zich schuldig had gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit van medeplegen van opzettelijke beïnvloeding van getuigen. De rechtbank achtte de verdachte strafbaar en legde een gevangenisstraf op van zes maanden, rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn van de procedure. De rechtbank benadrukte het belang van de vrijheid van getuigen om onbelemmerd te verklaren en dat het beïnvloeden van getuigen een ernstig strafbaar feit is. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer, bestaande uit mr. De Weert, mr. Goossens en mr. Vliegenberg, en is openbaar uitgesproken op 12 november 2020.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummers: 02/821390-16
vonnis van de meervoudige kamer van 12 november 2020
in de strafzaak tegen
[verdachte]
geboren op [geboortedag] 1967 te [geboorteplaats]
wonende te ( [adres]
raadsman mr. L. de Leon, advocaat te Utrecht.

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 15, 17 en 18 september 2020. De officieren van justitie, mr. Smale en mr. Van IJzendoorn, en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt, waarna het onderzoek ter zitting is gesloten op 29 oktober 2020.

2.De tenlasteleggingen

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk beïnvloeden van getuigen. Dit is in twee juridische varianten ten laste gelegd.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
Het openbaar Ministerie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde medeplegen van de beïnvloeding van de getuigen [naam 1] (hierna: [naam 1] ) en [naam 2] (hierna: [naam 2] ).
Het Openbaar Ministerie gebruikt daarbij onder meer de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) van 16 en 17 februari 2017, de verklaring van [naam 3] (hierna: [naam 3] ) van 19 februari 2017, de verklaring van [naam 1] van 28 februari 2017, de verklaring van [naam 2] van 1 maart 2017, de tapgesprekken, de bij medeverdachte [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) aangetroffen handgeschreven briefjes, alsmede de overige feiten en omstandigheden die uit het dossier, voor het bewijs.
De door [medeverdachte 1] afgelegde verklaringen bij de politie kunnen in de optiek van het Openbaar Ministerie als betrouwbaar worden beschouwd, omdat deze op de zes meest cruciale onderdelen steun vinden in de overige hiervoor genoemde bewijsmiddelen.
Het Openbaar Ministerie stelt daarnaast dat tussen verdachte en de medeverdachten sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking bij de beïnvloeding van de getuigen, waaraan verdachte een substantiële bijdrage heeft geleverd.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit integrale vrijspraak van het ten laste gelegde wegens gebrek aan bewijs en stelt daartoe onder meer het volgende. Er is sprake van een vormverzuim zoals bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) als gevolg waarvan alle door [medeverdachte 1] bij de politie afgelegde verklaringen van het bewijs moeten worden uitgesloten.
Verder stelt de verdediging dat het gebrek aan effectieve ondervragingsmogelijkheden van [medeverdachte 1] ook moet leiden tot bewijsuitsluiting van zijn verklaringen.
Indien de rechtbank oordeelt dat bewijsuitsluiting niet aan de orde is stelt de verdediging dat de verklaringen van [medeverdachte 1] als onbetrouwbaar moeten worden aangemerkt, gelet op onder meer de persoon van de medeverdachte. Daarnaast vinden de voor het bewijs cruciale aspecten, die door verdachte worden betwist, in de optiek van de verdediging, geen steun in andere bewijsmiddelen.
Evenmin kan worden bewezen dat sprake was van opzet op beïnvloeding van getuigen, ook niet in voorwaardelijke zin.
Daarnaast stelt de verdediging dat niet kan worden bewezen dat de verklaringsvrijheid van [naam 2] is aangetast zodat geen sprake is van een strafbare beïnvloeding jegens die getuige.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Bewijsuitsluiting wegens vormverzuim?
Ten aanzien van het verweer van de verdediging, dat sprake is van een vormverzuim, zoals bedoeld in artikel 359a Sv wegens schending van het bepaalde in artikel 29 Sv en artikel 27c lid 2 Sv jo artikel 28 lid 1 Sv als gevolg waarvan de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 1] van 16 en 17 februari 2017 van het bewijs zouden moeten worden uitgesloten, overweegt de rechtbank als volgt.
Onder verwijzing naar hetgeen is overwogen in de zaak van [medeverdachte 1] , stelt de rechtbank vast dat geen vormvoorschriften zijn geschonden wat de verhoren van [medeverdachte 1] betreft, nu alle geldende waarborgen in acht zijn genomen. Reeds daarom moet het verweer van de verdediging worden verworpen.
Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat de voorschriften die verband houden met een verhoor van een verdachte of getuige, het (verdedigings)belang van die verdachte of getuige beogen te beschermen. Schending van deze voorschriften tast niet de belangen van anderen dan de verdachte of getuige aan. De rechtbank wijst hierbij op de Schutznorm-jurisprudentie. Ook indien wel een vormverzuim zou zijn geconstateerd rondom de politieverhoren van medeverdachte [medeverdachte 1] , waarvan zoals hiervoor reeds is overwogen overigens geen sprake is, zou verdachte niet in zijn belangen zijn geschaad en zou dat daarom op grond van de Schutznorm niet tot enige rechtsgevolg, zoals bedoeld in artikel 359a Sv, kunnen leiden.
Bewijsuitsluiting op grond van de Vidgen-jurisprudentie?
De verdediging stelt dat het bewijs dat verdachte zich schuldig zou hebben gemaakt aan beïnvloeding van getuigen hoofdzakelijk is gebaseerd op de belastende verklaringen van [medeverdachte 1] . In de optiek van de verdediging heeft zij niet de gelegenheid gehad om [medeverdachte 1] als getuige effectief te ondervragen. Daarnaast is de verdediging op geen enkele wijze gecompenseerd voor dit nadeel. Dit levert een schending op van het ondervragingsrecht van de verdediging als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Conform de zogenaamde Vidgen-jurisprudentie dient deze schending van artikel 6 EVRM te leiden tot bewijsuitsluiting van de verklaringen van [medeverdachte 1] .
De rechtbank overweegt het volgende.
Op grond van artikel 6 lid 3 onder d EVRM heeft de verdediging het recht om getuigen te ondervragen. Hierbij dient het te gaan om een effectieve ondervragingsmogelijkheid.
De rechtbank stelt vast dat hiervan in dit geval geen sprake is geweest, omdat [medeverdachte 1] zich als getuige ten overstaan van de rechter-commissaris heeft beroepen op zijn verschoningsrecht.
Nu het aan effectieve ondervragingsmogelijkheden heeft ontbroken moet aan de hand van de in de jurisprudentie ontwikkelde “sole or decisive-rule” worden beoordeeld of het bewijs voor het ten laste gelegde feit uitsluitend of in beslissende mate berust op de verklaringen van [medeverdachte 1] die niet effectief ondervraagd is kunnen worden. De rechtbank stelt in het algemeen vast dat de verklaringen van [medeverdachte 1] weliswaar een aanzienlijke basis vormen voor het gehele dossier en het daaruit voortvloeiende feit, maar dat daarnaast ook sprake is van ander (steun)bewijs. Het bewijs is dan ook niet uitsluitend of in beslissende mate gestoeld op de verklaringen van [medeverdachte 1] .
Overigens leidt een niet effectieve ondervraging van een getuige niet automatisch tot een schending van artikel 6 EVRM. Er is immers een mogelijkheid dit gebrek te compenseren. De verdediging dient voldoende mogelijkheid te hebben gekregen om de betrouwbaarheid van de belastende verklaringen te toetsen, anders dan door rechtstreekse ondervraging. De rechtbank is van oordeel dat in deze zaak de niet effectieve ondervraging van de belastende getuige, [medeverdachte 1] , voldoende is gecompenseerd doordat de verdediging in de gelegenheid is gesteld een groot aantal van de door hen verzochte andere getuigen te horen. Deze verhoren hebben vervolgens ook plaatsgevonden, waardoor aan deze getuigen vragen konden worden gesteld en waarnaar onderzoek kon worden gedaan.
Conclusie bewijsuitsluiting
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, verwerpt de rechtbank het verweer nu zij van oordeel is dat geen sprake is van een vormverzuim, waardoor evenmin grond bestaat voor bewijsuitsluiting.
Betrouwbaarheid verklaringen [medeverdachte 1]
De verdediging stelt dat de verklaringen van [medeverdachte 1] als onbetrouwbaar moeten worden beschouwd, omdat deze volgens de verdediging geen steun vinden in andere bewijsmiddelen. Verder wijst de verdediging in dit verband op de persoon van [medeverdachte 1] en de omstandigheid dat hij in de optiek van de verdediging een “andere agenda” erop nahield, met dien verstande dat zijn verklaringen moeten worden gezien als een “plan B” voor een mislukte liquidatiepoging op verdachte, aldus de verdediging. Het volgende wordt in aanmerking genomen.
De rechtbank constateert dat [medeverdachte 1] eerder is veroordeeld en dat bij hem daardoor mogelijk andere belangen kunnen spelen om te verklaren zoals hij op 16 en 17 februari 2017 heeft gedaan. De rechtbank constateert verder ook dat in dit dossier meerdere personen figureren die, net als [medeverdachte 1] , in andere strafrechtelijke onderzoeken naar voren komen en bij wie mogelijk ook andere belangen kunnen spelen. Daarom is het heel goed mogelijk dat ieder zijn eigen belang heeft om te verklaren zoals hij of zij in dit dossier heeft gedaan. Dit betekent niet dat die verklaringen op zichzelf reeds om die reden als onbetrouwbaar moeten worden aangemerkt. Wel geeft dat aanleiding om kritisch naar de verklaringen te kijken, hetgeen de rechtbank ook heeft gedaan. Dit geldt niet alleen voor de verklaringen van [medeverdachte 1] , maar ook voor alle andere verklaringen die in dit dossier zijn afgelegd.
Naar het oordeel van de rechtbank biedt het dossier onvoldoende aanknopingspunten voor het door de verdediging gestelde “plan B-scenario”. Daarnaast is de rechtbank, anders dan de verdediging, van oordeel dat de verklaringen van [medeverdachte 1] wel op essentiële onderdelen steun vinden in ander bewijsmateriaal. Dit zal hierna nader aan de orde komen.
Gelet op de hiervoor genoemde redenen is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van [medeverdachte 1] niet al op voorhand als onbetrouwbaar kunnen worden aangemerkt.
Beïnvloeding van getuigen
Verdachte wordt verweten dat hij samen met de medeverdachten getuigen [naam 1] en [naam 2] in strafrechtelijke zin heeft beïnvloed.
Vooropgesteld wordt dat de strafbaarstelling van beïnvloeding van getuigen zoals bedoeld in artikel 285a van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) strekt tot bescherming van de vrijheid van personen om onbelemmerd ten overstaan van een rechter of ambtenaar een verklaring af te kunnen leggen. Van “beïnvloeden” in de zin van voormeld artikel is sprake indien de uiting ertoe strekt deze verklaringsvrijheid aan te tasten. Voor een bewezenverklaring van beïnvloeding van getuigen is niet vereist dat sprake is geweest van intimidatie, hoewel intimidatie in de regel wel een sterke aanwijzing oplevert dat de desbetreffende uitlating ertoe strekt om de verklaringsvrijheid aan te tasten. Voldoende is dat komt vast te staan dat de uiting kennelijk bedoeld was om de verklaringsvrijheid te beïnvloeden, zonder dat wordt vereist dat die kennelijke beïnvloeding ook tot een daadwerkelijke beïnvloeding heeft geleid. Ook het via derden benaderen van een persoon kan een uiting in de zin van artikel 285a Sr opleveren. Het bestanddeel “kennelijk” heeft geen betrekking op het opzet van de verdachte, maar op de perceptie van derden, onder wie in het bijzonder de getuige. De uiting moet van dien aard zijn dat de getuige daaruit in redelijkheid heeft kunnen opmaken dat zij ertoe strekt zijn verklaringsvrijheid aan te tasten. Het bestanddeel “ernstige reden hebben om te vermoeden dat die verklaring zal worden afgelegd” wordt in de jurisprudentie ruim uitgelegd. Er moet een gerede kans bestaan dat iemand een verklaring zal afleggen.
De vraag wanneer aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv is voldaan kan niet in algemene zin worden beantwoord, maar dit vergt een beoordeling van het concrete geval. Het bewijs dat iemand een strafbaar feit heeft gepleegd kan niet uitsluitend worden gebaseerd op de verklaring van één getuige. Er moet meer bewijs zijn, iets dat de verklaring van de getuige ondersteunt, om tot een bewezenverklaring te komen. Die ondersteuning hoeft niet te gelden voor alle onderdelen van de tenlastelegging, maar het gaat erom dat
in elk geval een deel van de feiten en omstandigheden die in de verklaring van de getuige worden genoemd, ondersteuning vinden in een of meer andere, objectieve bewijsmiddelen en dat tussen een en ander niet een te ver verwijderd verband bestaat.
Feitelijke handelingen
De rechtbank zal hierna verdachte en de medeverdachten aanduiden met hun achternaam. Zij stelt het volgende vast.
[medeverdachte 1] heeft verklaard dat [verdachte] in de Penitentiaire Inrichting (hierna: PI) briefjes met opdrachten schreef die door zijn raadsman [medeverdachte 2] naar buiten werden gebracht. Dat [verdachte] in de PI brieven schreef voor zijn toenmalige raadsman wordt door [verdachte] bevestigd. Ook [medeverdachte 2] heeft bevestigd dat hij weleens een brief in de PI heeft aangenomen van [verdachte] . Deze brieven werden volgens [medeverdachte 1] door [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 3] afgegeven. Dat [medeverdachte 2] meerdere keren bij [medeverdachte 3] thuis is geweest nadat hij aan [verdachte] een bezoek had gebracht vindt bevestiging in zijn verklaring. Volgens de verklaring van [medeverdachte 1] kreeg hij de brieven met opdrachten bij [medeverdachte 3] thuis te lezen en was [naam 3] daar soms ook bij. Dit wordt ook bevestigd door [naam 3] . [naam 3] heeft immers verklaard dat hij bij hen thuis weleens een brief heeft gezien waarop zijn vader een opdracht had geschreven voor [medeverdachte 1] en dat zijn moeder die brief aan [medeverdachte 1] liet zien. Dat [medeverdachte 1] in opdracht van [verdachte] bij [naam 1] is geweest om tegen betaling van een geldbedrag zijn verklaring jegens [verdachte] aan te passen wordt bevestigd door [naam 1] . Ook getuige [naam 4] heeft bevestigd dat er een gesprek tussen [medeverdachte 1] en [naam 1] is geweest. Verder heeft [naam 1] verklaard dat [medeverdachte 1] ook bij [naam 2] is langs geweest. Dat vindt ook steun in de verklaring van [naam 2] . Hij heeft immers bevestigd dat [medeverdachte 1] bij hem is geweest om die € 72.500,= te regelen. Ook heeft [naam 2] verklaard dat hij een brief heeft gelezen die [medeverdachte 1] van [medeverdachte 3] had gekregen, waarin stond dat een familielid met de “pet” had gepraat en dat [medeverdachte 1] aan hem vroeg of hij iets voor [verdachte] wilde verklaren.
Toen [medeverdachte 2] na een bezoek aan [verdachte] in de PI werd aangehouden, nadat [verdachte] hem, zo valt uit tapgesprekken af te leiden, dringend had verzocht te komen, werden bij [medeverdachte 2] handgeschreven briefjes van [verdachte] aangetroffen. Volgens [medeverdachte 2] was het de bedoeling dat die brieven naar [medeverdachte 3] zouden gaan. Kort voor dit bezoek van [medeverdachte 2] aan [verdachte] heeft [verdachte] bij [medeverdachte 3] , zo volgt uit tapgesprekken, erop aangedrongen dat zij [medeverdachte 2] zo bij hen thuis moest zien. Verder volgt uit tapgesprekken van twee dagen ervoor dat [verdachte] bij [medeverdachte 3] ook erop heeft aangedrongen om naar [naam 2] te gaan om aan hem het dossier te laten lezen. [medeverdachte 3] is diezelfde dag nog bij [naam 2] op bezoek gegaan. Dat [naam 2] het dossier toen heeft gelezen wordt door [naam 2] bevestigd en ook de echtgenote van [naam 2] , [naam 5] , heeft verklaard dat het de bedoeling was dat hij de verklaringen van [medeverdachte 1] zou lezen. Tijdens het lezen van de stukken heeft [naam 2] via de telefoon van [medeverdachte 3] met [verdachte] gesproken, waarbij [verdachte] meermalen heeft herhaald dat hij [naam 2] zo’n goede vent vindt en dat zij zo’n goede verstandhouding hebben. Diezelfde dag, kort na dit bezoek, is [medeverdachte 3] staande gehouden en werden in haar auto onder meer de verklaringen van [medeverdachte 1] aangetroffen.
[naam 1] en [naam 2]
Op grond van de bijgevoegde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, alsmede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, staat voor de rechtbank vast dat de in de tenlastelegging weergegeven feitelijke gedragingen zijn gepleegd.
Vervolgens is de vraag aan de orde of de feitelijke gedragingen kunnen worden beschouwd als uitingen gedaan om de verklaringsvrijheid van de getuigen [naam 1] en [naam 2] aan te tasten, terwijl verdachte wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat die verklaring zou worden afgelegd.
Ten aanzien van de feitelijke gedraging als weergegeven onder het tweede gedachtestreepje in de tenlastelegging beantwoordt de rechtbank deze vraag ontkennend. De uiting die ertoe zou moeten strekken om de verklaringsvrijheid aan te tasten is immers kennelijk gericht aan een derde, namelijk een veronderstelde informatie van de politie. Dit leidt ertoe dat niet de verklaringsvrijheid van getuige [naam 2] hier in het geding was, maar van het onbekend gebleven familielid van [naam 2] . Daarom levert deze feitelijke gedraging geen strafbare beïnvloeding als bedoeld in artikel 285a Sr op, zodat verdachte van dit onderdeel wordt vrijgesproken.
De feitelijke gedraging onder het derde gedachtestreepje is kennelijk afgeleid uit de verklaring van [naam 2] die hij op 1 maart 2017 heeft afgelegd bij de politie. De rechtbank stelt vast dat [medeverdachte 1] weliswaar verklaard heeft over de beïnvloeding van [naam 2] , maar zijn verklaring ziet alleen op het “rechtzetten” van wat een familielid zou hebben verteld tegen de politie. De rechtbank kan uit de verklaring van [medeverdachte 1] niet afleiden dat hij [naam 2] ook heeft gevraagd gunstig over [verdachte] te verklaren in andere zin. De verklaring van [naam 2] wordt dan ook niet door een ander bewijsmiddel ondersteund. De rechtbank zal verdachte hiervan dan ook vrijspreken.
Wel acht de rechtbank bewezen dat de eerste en de vierde feitelijke gedraging, zoals weergegeven in de tenlastelegging, uitingen opleveren gedaan om de verklaringsvrijheid van [naam 1] en [naam 2] aan te tasten, terwijl verdachte wist of ernstige reden had om te vermoeden dat die verklaringen waren of zouden worden afgelegd.
Ten aanzien van [naam 1] volgt het voorgaande direct uit de bewijsmiddelen en meer in het bijzonder uit zijn eigen verklaring ten overstaan van de politie en de rechter-commissaris, die consequent en consistent is, en wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen.
Voor wat betreft de beïnvloeding van [naam 2] leidt de rechtbank dit af uit het samenstel van feiten en gedragingen rond de ontmoeting die bij hem thuis op het woonwagenkamp heeft plaatsgevonden. In dit verband acht de rechtbank van belang dat er sinds 2014 tot deze ontmoeting kennelijk geen contact tussen [naam 2] en [verdachte] en zijn familie heeft plaatsgevonden en dat zowel [naam 2] als getuige [naam 5] verbaasd waren dat [medeverdachte 3] en haar dochter [naam 6] aan de deur stonden. Tevens leidt de rechtbank uit de telefoongesprekken tussen [verdachte] en [medeverdachte 3] af dat [verdachte] het erg belangrijk vond dat [medeverdachte 3] op dat moment naar [naam 2] ging om hem de verklaring van [medeverdachte 1] te laten lezen. Er zat kennelijk behoorlijk wat druk op. Tot slot acht de rechtbank de zeer vriendelijke en amicale houding van [verdachte] aan de telefoon jegens [naam 2] opvallend in de wetenschap dat beiden elkaar al jaren niet hebben gesproken en ook overigens sinds de bad standing van [naam 2] tussen hen geen vriendschap meer bestond. Uit het verhoor van [naam 2] bij de politie leidt de rechtbank verder af dat [naam 2] hier ook zijn twijfels bij had. Nu [naam 2] de verklaring van [medeverdachte 1] moest lezen, [medeverdachte 1] [verdachte] in die verklaring beschuldigt en [naam 2] daarin ook wordt genoemd, in samenhang bezien met de inhoud en toon van het gesprek tussen [verdachte] en [naam 2] , houdt de rechtbank het ervoor dat het de bedoeling was dat [naam 2] een voor [verdachte] gunstige verklaring moest afleggen. Verdachten wisten immers dat de kans groot was dat [naam 2] nog als getuige zou worden gehoord.
Dat niet daadwerkelijk briefjes zijn aangetroffen met een opdracht om getuigen [naam 1] en [naam 2] te beïnvloeden, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Het steunbewijs hoeft geen betrekking te hebben op alle onderdelen van de tenlastelegging en de rechtbank is voorts van oordeel dat de wijze waarop de briefjes van [verdachte] via [medeverdachte 2] als advocaat naar buiten werden gebracht op zichzelf al een heimelijk karakter had. Indien de briefjes geen bijzondere inhoud hadden, zoals de verdediging heeft beweerd, valt niet te verklaren waarom één van de bij [medeverdachte 2] aangetroffen briefjes van [verdachte] was verstopt in zijn telefoonhoesje en waarom [medeverdachte 2] zich uit paniek van het andere briefje wilde ontdoen. De rechtbank is van oordeel dat dit niet anders kan worden uitgelegd dan dat de verdachten heel goed wisten dat de inhoud van deze briefjes een bepaalde aard en strekking had en aldus kennelijk onrechtmatig. Dit geldt temeer nu deze handelwijze bij uitstek dé manier daarvoor lijkt te zijn geweest, omdat [medeverdachte 2] in zijn hoedanigheid van advocaat van [verdachte] in het huis van bewaring niet gecontroleerd zou worden. De paniekreactie van [medeverdachte 2] lijkt er op te wijzen dat kort daarvoor bij [verdachte] bekend was geworden dat [medeverdachte 1] over de getuigenbeïnvloeding had verklaard en dat [verdachte] dit die dag tegen [medeverdachte 2] had verteld. De gang van zaken op en rondom de dag dat [medeverdachte 2] werd betrapt met de briefjes past ook in de werkwijze die [medeverdachte 1] over de periode daarvoor heeft geschetst en die door [naam 3] is bevestigd. Daar komt bij dat [medeverdachte 1] bij het afleggen van zijn verklaring, de verklaring van [naam 3] en het daadwerkelijk aantreffen van de briefjes van [verdachte] bij [medeverdachte 2] niet heeft kunnen voorzien.
Medeplegen
Uit de feitelijke gang van zaken volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte en
de medeverdachten allen een onmisbare schakel waren in het geheel. Elke verdachte had
een eigen onmisbare rol van voldoende betekenis, met dien verstande dat [verdachte] de opdrachtgever was, [medeverdachte 2] degene die in zijn hoedanigheid van advocaat de opdrachten van [verdachte] naar buiten bracht, [medeverdachte 3] degene die de opdrachten uitzette naar [medeverdachte 1] en [medeverdachte 1] degene die de opdrachten uitvoerde. Gelet hierop staat voor de rechtbank vast dat sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten bij de beïnvloeding van de getuigen [naam 1] en [naam 2] , waaraan verdachte een substantiële bijdrage heeft geleverd.
Conclusie:
De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegd feit.
4.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
Primair
in de periode van 5 juli 2016 tot en met 20 februari 2017 te Bergen op Zoom en Middelburg en Etten-Leur en elders in Nederland en in België, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk mondeling, bij geschrift en/of afbeelding zich jegens [naam 1] en/of [naam 2] heeft geuit, kennelijk om diens vrijheid om naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter of ambtenaar een verklaring af te leggen te beïnvloeden, terwijl hij, verdachte, en zijn mededaders wisten of ernstige reden hadden te vermoeden dat die verklaring zou worden afgelegd,
immers hebben hij, verdachte en zijn mededaders opzettelijk
- die [naam 1] al dan niet in het vooruitzicht van een grote som geld gevraagd zijn belastende afgelegde verklaring jegens hem, verdachte ( [verdachte] ), aan te passen en/of in te trekken en/of om “gunstig” te verklaren jegens hem, verdachte ( [verdachte] ) en/of
- die [naam 2] de door [medeverdachte 1] jegens hem, verdachte ( [verdachte] ) afgelegde belastende verklaring(en) voor te houden en te laten lezen.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1
De vordering van het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie vordert dat verdachte ter zake van de bewezen geachte feiten, zowel in het onderzoek Tenerife als in het onderzoek Ermoupolis, wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht. Het Openbaar Ministerie heeft hierbij rekening gehouden met de persoon van de verdachte die door haar wordt geduid als een man die nauwelijks tegenspraak duldt en die mensen angst inboezemt. Tevens heeft het Openbaar Ministerie acht geslagen op de recente forse veroordeling voor verschillende strafbare feiten en houdt zij rekening met het verdere strafrechtelijke verleden. Tot slot houdt het Openbaar Ministerie rekening met het gegeven dat verdachte niet schroomt om een professionele geheimhouder in te zetten. Het Openbaar Ministerie beschouwt het beïnvloeden van getuigen als een onmisbaar onderdeel van de pogingen van verdachte om zijn strafbare praktijken voort te kunnen blijven zetten.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit en daarom geen strafmaatverweer gevoerd.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte en zijn medeverdachten hebben zich schuldig gemaakt aan de beïnvloeding van getuigen. [verdachte] was verdachte in een aantal strafzaken, en heeft samen met de andere verdachten geprobeerd getuige [naam 1] , die belastende verklaringen had afgelegd in een van die zaken, te beïnvloeden. Het doel van de beïnvloeding moet zijn geweest dat [naam 1] zijn voor [verdachte] belastende verklaringen ten gunste van [verdachte] zou bijstellen. Ook heeft [verdachte] samen met [medeverdachte 3] geprobeerd verklaringen van getuige [naam 2] te beïnvloeden. [naam 2] werd immers door [medeverdachte 1] genoemd in het kort daarvoor gestarte onderzoek Tenerife. Hij was weliswaar op het moment van beïnvloeding nog niet gehoord als getuige, maar dat zou wel gaan gebeuren, gelet op de aangifte en de daarop volgende verklaringen van [medeverdachte 1] in dit onderzoek. Over deze verklaringen beschikte [verdachte] immers op het moment dat hij weer in voorlopige hechtenis was genomen.
[verdachte] zat destijds gedetineerd en kon de betreffende getuigen niet zelf benaderen. Hij had daarvoor de hulp van derden nodig die zijn opdrachten moesten uitvoeren. Hij maakte gebruik van de diensten van [medeverdachte 2] , die [verdachte] als advocaat regelmatig bezocht. [medeverdachte 2] had een belangrijke rol in dit verband, omdat hij als advocaat niet gecontroleerd zou worden in de Penitentiaire Inrichting waar [verdachte] verbleef, in verband met zijn vertrouwelijke rol. [medeverdachte 2] nam briefjes aan met opdrachten. Na het bezoek aan de gevangenis ging hij naar de woning van [medeverdachte 3] en gaf de briefjes door aan [medeverdachte 3] . [medeverdachte 3] gaf de briefjes op haar beurt door aan [medeverdachte 1] of besprak de in de briefjes geschreven opdrachten met [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] werd belast met de uitvoering van de genoemde opdrachten. [medeverdachte 1] heeft vervolgens getuige [naam 1] benaderd. Toen [verdachte] weer vastzat, op 18 februari 2017, heeft hij [medeverdachte 3] telefonisch opdracht gegeven om naar getuige [naam 2] te gaan en hem de door [medeverdachte 1] afgelegde verklaringen te laten lezen.
Uit de hiervoor geschetste gang van zaken komt het beeld naar voren van een georganiseerd verband waarbij [verdachte] de initiator was van het delict. Alle verdachten hebben daarin een substantiële rol gespeeld. Zonder ieders bijdrage had het feit niet kunnen worden gepleegd. De overige verdachten waren daarin een onmisbare schakel. Over de organisatie van het delict is goed nagedacht, gelet ook op het inschakelen van [medeverdachte 2] .
Het beïnvloeden van getuigen is een ernstig strafbaar feit. Iedereen die getuige is geweest van voor een strafzaak relevante feiten, moet daarover ten overstaan van de politie of een rechter onbelemmerd kunnen verklaren. Beperkingen van deze vrijheid, van welke aard ook, ondermijnen de rechtsorde. Verdachten hebben op onaanvaardbare wijze de uitkomst van een strafgeding proberen te beïnvloeden door de verklaringsvrijheid van de betrokken getuigen aan te tasten. Dit strafbare feit neemt de rechtbank de verdachten zeer kwalijk. Voor dit delict is in beginsel een gevangenisstraf passend en geboden.
[verdachte] was de initiator van de beïnvloeding van de getuigen. Hij is berekenend te werk gegaan bij de beïnvloeding, door [medeverdachte 2] in te schakelen, die immers niet gecontroleerd zou worden. [verdachte] wist dat ook. Uit de door [medeverdachte 2] afgelegde verklaringen leidt de rechtbank af dat [medeverdachte 2] hem dat niet kon weigeren omdat hij bang was voor [verdachte] . Verder heeft hij bij de organisatie van dit delict zijn vriendin [medeverdachte 3] betrokken en zijn (destijds) vertrouweling [medeverdachte 1] . [verdachte] ging daarbij op een zeer gebiedende en dwingende wijze te werk. Dat blijkt ook uit de telefoongesprekken die [verdachte] met [medeverdachte 3] voerde. Meerdere getuigen zijn benaderd. Uit het dossier komt het beeld naar voren dat [verdachte] nog meer getuigen heeft benaderd om voor hem gunstige verklaringen af te leggen. Er lijkt in die gevallen geen sprake te zijn van strafbare beïnvloeding. Toch ontstaat op grond van het dossier de indruk dat [verdachte] er niet voor terug deinst om er voor te zorgen, op verschillende manieren, dat er voor hem gunstige verklaringen worden afgelegd. Gelet op de initiërende en bepalende rol van [verdachte] is de rechtbank van oordeel dat voor de bewezenverklaarde beïnvloeding van getuigen een gevangenisstraf van negen maanden in beginsel een passende straf is. Deze straf is lager dan door de officier van justitie is geëist. Het verschil laat zich onder meer verklaren doordat de rechtbank, zoals uit het vonnis met parketnummer 02/810571-16 eveneens van heden volgt, [verdachte] zal vrijspreken van de hem ten laste gelegde poging tot afpersing.
[verdachte] is meerdere malen met justitie in aanraking geweest. Dit betreft grotendeels oudere feiten. Artikel 63 Sr is van toepassing, nu verdachte op 25 oktober 2018 door rechtbank Zeeland-West-Brabant is veroordeeld tot zes jaar gevangenisstraf.
De rechtbank constateert dat de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden. Als uitgangspunt geldt dat er in eerste aanleg een eindvonnis wordt uitgesproken nadat de redelijke termijn is aangevangen. Die termijn start vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse staat jegens een verdachte een handeling is verricht waaraan de verdachte in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Op 6 maart 2017 is [verdachte] door de politie voor het eerst gehoord over deze zaak. Dit is het aanvangsmoment van de ‘criminal charge’ als bedoeld in artikel 6 EVRM. Het eindpunt is de datum van de uitspraak: 12 november 2020. Het tijdsverloop tussen 6 maart 2017 en 12 november 2020 beslaat ruim drie jaar en acht maanden. Dit betekent een overschrijding van de redelijke termijn van een jaar en acht maanden, die niet aan de verdediging te wijten is. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat de zaak weliswaar complex van aard is, waarin in de loop van de tijd vele onderzoekswensen zijn ingediend en uitgevoerd, maar dat die omstandigheden niet het gehele tijdsverloop verklaren. De rechtbank zal de overschrijding daarom in het voordeel van [verdachte] verrekenen in de straftoemeting, in die zin dat de op te leggen gevangenisstraf zal worden gematigd tot zes maanden. In deze straf is ook de toepasselijkheid van artikel 63 Sr verdisconteerd.

7.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 47, 57, 63 en 285a van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8.De beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
primair: medeplegen van opzettelijk mondeling, bij geschrift en/of afbeelding zich jegens een persoon uiten, kennelijk om diens vrijheid om naar waarheid of geweten ten overstaan van ene rechter of ambtenaar een verklaring af te leggen te beïnvloeden, terwijl hij weet dat die verklaring zal worden afgelegd, meermalen gepleegd;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf van zes maanden.
Dit vonnis is gewezen door mr. De Weert, voorzitter, mr. Goossens en mr. Vliegenberg, rechters, in tegenwoordigheid van Joosen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 12 november 2020.

9.Bijlage I

De tenlastelegging
hij in of omstreeks de periode van 5 juli 2016 tot en met 20 februari 2017 te Bergen op Zoom en/of Middelburg en/of Etten-Leur en/of 's-Gravenhage en/of Amsterdam en/of elders in Nederland en/of in Belgie, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk mondeling, door gebaren, bij geschrift en/of afbeelding zich jegens [naam 1] en/of [naam 2] heeft geuit, kennelijk om diens vrijheid om naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter of ambtenaar een verklaring af te leggen te beïnvloeden, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist/wisten of ernstige reden had/hadden te vermoeden dat die verklaring zou worden afgelegd,
immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s) opzettelijk
- die [naam 1] (al dan niet tegen betaling van geld/in het vooruitzicht van een grote som geld) gezegd/gevraagd en/of opgedragen zijn (belastende) (afgelegde) verklaring(en) jegens hem, verdachte ( [verdachte] ), aan te passen en/of in te trekken en/of om "gunstig" te verklaren jegens hem, verdachte ( [verdachte] ), althans woorden van soortgelijke aard of strekking en/of
- die [naam 2] medegedeeld en/of gezegd en/of opgedragen om (al dan niet tegen betaling van 72.500 euro / in het vooruitzicht van de ontvangst van een som geld ter hoogte van 72.500 euro) "recht te zetten" wat een familielid van die [naam 2] geroepen zou hebben over hem, verdachte ( [verdachte] ) en/of een brief aan die [naam 2] laten lezen waarin stond dat een familielid van die [naam 2] informant van de politie zou zijn die van alles zou roepen bij de politie over hem, verdachte [verdachte] ) en dat die [naam 2] dit recht moest gaan zetten en daarvoor dan een dikke enveloppe zou krijgen, althans woorden van soortgelijke aard of strekking en/of
- die [naam 2] gezegd/gevraagd om "iets" voor hem, verdachte ( [verdachte] ) en/of ten gunste van hem, verdachte ( [verdachte] ) te verklaren en/of
- die [naam 2] de door [medeverdachte 1] jegens hem, verdachte ( [verdachte] ) afgelegde belastende verklaring(en) voor te houden en/of te laten lezen;
subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
[medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] in of omstreeks de periode van 5 juli 2016 tot en met 20 februari 2017 te Bergen op Zoom en/of Middelburg en/of Etten-Leur en/of 's-Gravenhage en/of Amsterdam en/of elders in Nederland en/of in Belgie tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans die [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] , opzettelijk mondeling, door gebaren, bij geschrift en/of afbeelding zich jegens [naam 1] en/of [naam 2] heeft/hebben geuit, kennelijk om diens vrijheid om naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter of ambtenaar een verklaring af te leggen te beïnvloeden, terwijl die [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] en/of haar/zijn/hun mededader(s) wist/wisten of ernstige reden had/hadden te vermoeden dat die verklaring zou worden afgelegd,
immers heeft/hebben die Bosters en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] en/of haar/zijn/hun
mededader(s) opzettelijk
- die [naam 1] (al dan niet tegen betaling van geld/in het vooruitzicht van een grote som geld) gezegd/gevraagd en/of opgedragen zijn (belastende) (afgelegde) verklaring(en) jegens hem, verdachte ( [verdachte] ), aan te passen en/of in te trekken en/of om "gunstig" te verklaren jegens hem, verdachte ( [verdachte] ), althans woorden van soortgelijke aard of strekking en/of
- die [naam 2] medegedeeld en/of gezegd en/of opgedragen om (al dan niet tegen betaling van 72.500 euro / in het vooruitzicht van de ontvangst van een som geld ter hoogte van 72.500 euro) "recht te zetten" wat een familielid van die [naam 2] geroepen zou hebben over hem, verdachte ( [verdachte] ) en/of een brief aan die [naam 2] laten lezen waarin stond dat een familielid van die [naam 2] informant van de politie zou zijn die van alles zou roepen bij de politie over hem, verdachte ( [verdachte] ) en dat die [naam 2] dit recht moest gaan zetten en daarvoor dan een dikke enveloppe zou krijgen, althans woorden van soortgelijke aard of strekking en/of
- die [naam 2] gezegd/gevraagd om "iets" voor hem, verdachte ( [verdachte] ) en/of ten gunste van hem, verdachte ( [verdachte] ) te verklaren en/of
- die [naam 2] de door [medeverdachte 1] jegens hem, verdachte ( [verdachte] ) afgelegde belastende verklaring(en) voor te houden en/of te laten lezen;
welk feit hij, verdachte in of omstreeks de periode van 5 juli 2016 tot en met 20 februari 2017 te Bergen op Zoom en/of Middelburg en/of Etten-Leur en/of te 's-Gravenhage en/of Amsterdam en/of elders in Nederland en/of in Belgie, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans hij, verdachte, opzettelijk heeft uitgelokt door giften en/of beloften en/of misbruik van gezag en/of geweld en/of bedreiging en/of misleiding en/of door het verschaffen van gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen,
immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s)
* die [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] en/of (een) ander(en) handgeschreven brieven/briefjes (met opdrachten om deze getuigen te benaderen/beinvloeden) overhandigd en/of
* die [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] en/of (een) ander(en) - zakelijk weergegeven - medegedeeld en/of meegegeven dat die [naam 1] en/of [naam 2] zijn/hun verklaring(en) moesten aanpassen en/of gunstig / ten voordele van hem, verdachte moesten verklaren, althans woorden/mededelingen van die strekking en/of
* die [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] en/of (een) ander(en) – zakelijk weergegeven - opdracht gegeven en/of verzocht om die [naam 1] en/of [naam 2] te bewegen hun afgelegde verklaringen in te trekken en/of aan te passen, althans woorden van die strekking en/of
* die [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] en/of (een) ander(en) opdracht gegeven en/of verzocht om die [naam 1] en/of [naam 2] te bewegen hun afgelegde verklaring(en) in te trekken en/of aan te passen daarbij misbruik makend van het gezag dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s) had(den) over die [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] en/of die ander(en).

10.Bijlage II

De bewijsmiddelen
Wanneer hierna wordt verwezen naar een paginanummer, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een pagina van het eindprocesverbaal met dossiernummer ZBRAB16029/Tenerife
van de politie-eenheid Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 1339.
Het proces-verbaal van verhoor getuige [medeverdachte 1] van 16 februari 2017, pagina’s 90 t/m 92 van voornoemd eindproces-verbaal, inhoudende - zakelijke weergegeven -:
[verdachte] schreef brieven in de gevangenis met opdrachten wat er moest gebeuren en welke getuigen beïnvloed moesten worden.
Deze opdrachten werden onder andere door de advocaat [medeverdachte 2] naar buiten gebracht en aan [verdachte] zijn vrouw [medeverdachte 3] gegeven.
Ik kreeg dan de opdracht van [medeverdachte 3] om bij haar langs te komen en kreeg daar brieven van [verdachte] te lezen waar dan een opdracht voor mij in stond.
Ik weet van [medeverdachte 2] dat hij ook bij [naam 1] is geweest. [medeverdachte 2] vertelde mij dat hij door [verdachte] naar [naam 1] was gestuurd om hem om te kopen en dat [naam 1] zijn verklaring aan moest passen. Ik ben daarna ook nog door [verdachte] naar [naam 1] gestuurd om 100.000 euro te bieden om [naam 1] zijn verklaring aan te laten passen in [verdachte] zijn voordeel.
Ik heb [medeverdachte 2] wel eens gesproken en [medeverdachte 2] kreeg tijd en datum op wanneer hij ergens moest zijn.
De brieven die ik te lezen kreeg bij [medeverdachte 3] thuis in bijzijn van advocaat [medeverdachte 2] bevatten de opdrachten die ik van [verdachte] moest uitvoeren.
Ik kreeg een brief van [medeverdachte 3] die ik aan [naam 2] moest laten lezen. In de brief stond dat een familielid van [naam 2] informant van de politie zou zijn en van alles over [verdachte] zou roepen. [naam 2] moest dit recht gaan zetten en daarvoor dan een dikke envelop zou krijgen. [naam 2] zei dit wel te willen doen maar dan de waarde van zijn afgepakte motoren terug wilde hebben. Ik weet dat [verdachte] 2 motoren van [naam 2] heeft afgepakt. De waarde van de motoren bedroeg 72.500 euro. Ik ben 3 of 4 keer naar [naam 2] en [medeverdachte 3] op en neer geweest om het te regelen.
Het proces-verbaal van verhoor getuige [medeverdachte 1] van 17 februari 2017, pagina’s 108 en 109 van voornoemd eindproces-verbaal, inhoudende - zakelijke weergegeven -:
Bij de gesprekken die ik voerde bij [verdachte] thuis waren eigenlijk altijd [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] aanwezig. Soms was [naam 3] ook aanwezig.
Zij waren op de hoogte van de opdracht die ik via een brief had gekregen op [naam 1] te benaderen en geld te bieden om hem te beïnvloeden.
[medeverdachte 2] nam handgeschreven brieven van [verdachte] mee uit de gevangenis.
Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 3] van 19 februari 2017, pagina’s 134, 135 en 141 van voornoemd eindproces-verbaal, inhoudende - zakelijke weergegeven -:
Ik heb weleens een papier gezien waar mijn vader iets op had geschreven voor [medeverdachte 1] . Dat heeft mijn moeder aan [medeverdachte 1] laten zien.
Ik weet dat mijn vader brieven schreef met opdrachten. Ik hoorde dan van [medeverdachte 1] “ik heb een brief gehad en moet dat en dat doen”. [medeverdachte 1] kreeg die brieven via mijn moeder.
Het tapgesprek tussen [verdachte] en [medeverdachte 3] van 18 februari 2017 om 07:47 uur, pagina 343 van voornoemd eindproces-verbaal, inhoudende - zakelijke weergegeven -:
[verdachte] : “luister, rijd ff met [naam 6] naar [naam 2] toe, [naam 2] . Ja.”
[medeverdachte 3] : “ja”
[verdachte] : “laat ff heel het dossier lezen door [naam 2] .”
[medeverdachte 3] : “ja”
[verdachte] : “ja. En zeg luister [naam 2] . [verdachte] heeft het helemaal niet over jou gehad. Hij probeert hem tegenover jou op te stoken. Je moet de groeten van [verdachte] hebben. [verdachte] vindt jou een goede vent.”
Het tapgesprek tussen [verdachte] en [medeverdachte 3] van 18 februari 2017 om 11:04 uur, pagina 349 van voornoemd eindproces-verbaal, inhoudende - zakelijke weergegeven -:
[medeverdachte 3] : “ik ben die papieren allemaal aan het uitprinten maar ik weet niet of het zo verstandig is om daar vanmiddag heen te gaan.”
[verdachte] : “ja dat moet je nu doen, dat is heel verstandig, je had er al moeten zijn nou, straks ben je te laat en zijn ze weg, je moet er echt naartoe”.
Het tapgesprek tussen [verdachte] en [medeverdachte 3] van 18 februari 2017 om 16:11 uur, pagina 364 van voornoemd eindproces-verbaal, inhoudende - zakelijke weergegeven -:
[medeverdachte 3] : “ja we zitten binnen hoor… nvt.. we hebben het”.
[verdachte] : “oke heb je het laten lezen aan hem”
[medeverdachte 3] : “nee hij zit het te lezen”
[verdachte] : “hij zit het te lezen. Geef hem eens ff aan de telefoon”.
(vervolgens komt NNM aan telefoon die [naam 2] wordt genoemd door [verdachte] )
[naam 2] : Ja hallo
[verdachte] : Hey jongen. Hey vent ik heb alleen maar goede bedoelingen met jou.
[naam 2] : weet ik weet ik.
[verdachte] : ja en ik vond je altijd een hele fijne vent dat weet je. En dan krijg ik dit in een keer op mijn bord. Dat is gewoon zwaar kut, die is gek man.
[naam 2] : Ja die is zeker gek. Dat wist ik al die die gek is. Zwaar gek, zwaar gek.
[verdachte] : hij heeft me gewoon welles en wetes [naam 2] , welles en wetes met voorbedachten rade gelokt en uh me gewoon op laten sluiten.
[verdachte] : oke vent nou ja ik weet niet wanneer ik los kom, maar als ik los kom dan kom ik een bakkie bij je doen.
[naam 2] : Komt goed, komt goed.
[verdachte] : Oke nou dikke kus jongen.
Het proces-verbaal van bevindingen ontmoeting [medeverdachte 3] - [naam 6] - [naam 2] , pagina’s 184 t/m 187 van voornoemd eindproces-verbaal, inhoudende - zakelijke weergegeven -:
Op 18 februari 2017 omstreeks 15:26 uur kregen wij verbalisanten de opdracht om te kijken of we de ontmoeting vast konden stellen tussen [medeverdachte 3] en [naam 2] . Om 16:00 uur zagen wij verbalisanten dat [medeverdachte 3] samen met haar dochter [naam 6] het woonwagenkamp aan de [straat] te Breda opreden in een personenauto van het merk Toyota met kenteken [kenteken] . Verbalisant [verbalisant 1] zag dat 1 van de 2 vrouwen een rode plastic tas van [supermarkt] bij zich droeg en dat deze gevuld was. Om 16:03 uur zagen wij dat een jongere man, gelijkend op [naam 7] , zoon van [naam 2] , de woonwagen gelegen links naast de 1e inrit binnenging waar [medeverdachte 3] en [naam 6] zojuist ook naar binnengegaan waren. Om 17:21 uur zagen wij dat [medeverdachte 3] en [naam 6] de woonwagen samen verlieten. [medeverdachte 3] droeg weer een rode tas bij zich. [medeverdachte 3] en [naam 6] werden nadat ze van het woonwagenkamp waren vertrokken staande gehouden.
Het proces-verbaal doorzoeking voertuig, pagina 188 van voornoemd eindproces-verbaal, inhoudende - zakelijke weergegeven -:
Nadat de Toyota met kenteken [kenteken] tot stilstand werd gebracht hebben verbalisant het voertuig doorzocht. In een rode plastic tas werden onder andere afschriften van een proces-verbaal aangetroffen. Hiervan werden door ons foto’s gemaakt. Deze foto’s zullen worden gevoegd in een fotomap die als bijlage bij dit proces-verbaal is gevoegd.
De eigen waarneming van de rechtbank aan de hand van de hiervoor bedoelde fotomap, pagina’s 196 tot en met 202 van voornoemd eindproces-verbaal, inhoudende - zakelijke weergegeven -:
De rechtbank neemt waar dat de kopieën van de foto’s afschriften betreffen van onder meer de beslissing tot toewijzing van de schorsing van de voorlopige hechtenis van [verdachte] en de schorsingsvoorwaarden, delen van het proces-verbaal nummer 179, het proces-verbaal van bevindingen in verband met schending van de voorwaarden, de verhoren van [medeverdachte 1] en de processen-verbaal van de aanhouding van [verdachte] .
Het tapgesprek tussen [verdachte] en [medeverdachte 2] van 19 februari 2017 te 15:10 uur, pagina 149, inhoudende - zakelijke weergegeven -:
[verdachte] vraagt wanneer [medeverdachte 2] op zijn snelst langs kan komen.
zegt dat hij [verdachte] wil spreken en morgenmiddag naar [verdachte] toekomt.
Het tapgesprek tussen [verdachte] en [medeverdachte 2] van 20 februari 2017 om 14:21 uur, pagina 152 van voornoemd eindproces-verbaal, inhoudende - zakelijke weergegeven -:
[verdachte] zegt dat [medeverdachte 2] zou komen, mar dat hij die niet meer heeft gezien. [medeverdachte 3] vindt het raar. [medeverdachte 3] zegt hem zo wel even te bellen.
[verdachte] zegt dat hij wil dat [medeverdachte 2] zo dadelijk naar haar thuis komt.
[verdachte] zegt nog dat zij [medeverdachte 2] nog moet bellen en [medeverdachte 2] bij hun thuis moet zien.
Het tapgesprek tussen [verdachte] en [medeverdachte 2] van 20 februari 2017 om 15:03 uur, pagina 154 van voornoemd eindproces-verbaal, inhoudende - zakelijke weergegeven -:
[medeverdachte 2] zegt dat hij onderweg is en er bijna is. [medeverdachte 2] zegt nog een klein half uurtje onderweg te zijn.
Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 1] van 15 februari 2017, pagina 169 van voornoemd eindproces-verbaal
(waarvan de rechtbank uit het proces-verbaal van bevindingen op pagina 171 begrijpt dat dit 28 februari 2017 moet zijn)inhoudende - zakelijke weergegeven -:
[medeverdachte 1] wilde een gesprek met mij. Dat is gegaan via [naam 4] . [medeverdachte 1] vroeg mij niet de verklaring in te trekken, maar om gunstig te verklaren voor [verdachte] . [medeverdachte 1] noemde een bedrag van 100.000 euro.
Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 4] van 28 februari 2017, pagina 172 van voornoemd eindproces-verbaal, inhoudende - zakelijke weergegeven -:
[medeverdachte 1] is hier bij mij geweest. Hij vroeg of ik [naam 1] kon bereiken. Ik kon dat wel. [naam 1] kwam toen hierheen. Er is een gesprek geweest tussen die twee.
Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 1] van 19 februari 2018 bij de rechter-commissaris, ongenummerd toegevoegd aan voornoemd eindproces-verbaal, inhoudende - zakelijke weergegeven -:
Ik ben benaderd door mensen uit de entourage van [verdachte] . Ik zou 150.000 euro krijgen uit de entourage van [verdachte] om mijn verklaring aan te passen. Ik moest ontlastend verklaren voor [verdachte] . Later is [medeverdachte 1] gekomen met het verzoek om mijn aanklacht in te trekken. [medeverdachte 1] bood ook geld. Hij bood 100.000 euro.
Het proces-verbaal van bevindingen t.a.v. het papiertje in IPhone hoes, pagina 155 van voornoemd eindproces-verbaal, inhoudende - zakelijke weergegeven -:
Op 20 februari 2017 om 16:45 uur werd [medeverdachte 2] aangehouden op de parkeerplaats van de PI Torentijd in Middelburg. Van [medeverdachte 2] werd onder meer een Apple IPhone met een zwarte beschermhoes in beslag genomen. Op 21 februari 2017 is de IPhone onderzocht. De beschermhoes werd er af gehaald en er kwam een opgevouwen papiertje tevoorschijn met de handgeschreven tekst “
Laat Wim zijn waardevolle spullen bij zijn zoon [naam 9] op zolder zetten”.
Het proces-verbaal van bevindingen met bijlagen, pagina’s 623 en 624 van voornoemd eindproces-verbaal, inhoudende - zakelijke weergegeven -:
Op 20 februari 2017 omstreeks 17:50 uur kwam ik aan bij het arrestantencomplex Mijkenbroek 31 in Breda met verdachte [medeverdachte 2] . Alvorens te worden geplaatst in de cel werd verdachte [medeverdachte 2] onderworpen aan een insluitingsfouillering.
Kort na de insluiting van verdachte [medeverdachte 2] is in opdracht van de Officier van Justitie en in het belang van het onderzoek, een onderzoek aan het lichaam uitgevoerd en aan de kleding. In de cel werd ongeveer 1 meter voor verdachte [medeverdachte 2] een propje papier op de grond naast het toilet aangetroffen.
Dit propje papier dat vochtig was, is uitgevouwen en in beslag genomen.
Op 21 februari 2017 heb ik een nader onderzoek ingesteld naar de herkomst van het propje papier.
Van dit uitgevouwen propje papier zijn foto’s gemaakt van beide kanten. Bijlage 2 betreft de kopie van de achterzijde van het propje papier.
Zodra door een gedetineerde een “Opgaveformulier bezoekers” is ingevuld en ingeleverd dan wordt dat verwerkt. Aan de gedetineerde wordt het kopie van het “Opgaveformulier bezoekers” verstrekt.
Op 18 februari 2017 is door verdachte [verdachte] een zogeheten Opgaveformulier bezoekers ingevuld en ingeleverd met daarop de volgende namen: [medeverdachte 3] , [medeverdachte 3] , [naam 6] , [naam 6] , [naam 3] , [naam 3] , [naam 10] , [naam 10] .
Door mij is het kopie van het formulier “Opgaveformulier bezoekers” vergeleken met het propje papier dat in de cel van [medeverdachte 2] is aangetroffen, waarbij het volgende is gebleken.
De handgeschreven letters van de naam “ [medeverdachte 3] ” op het aangetroffen propje papier in de cel van [medeverdachte 2] komt sterk overeen met het kopie “Opgaveformulier bezoekers”, dat door verdachte [verdachte] is ingeleverd. Het begin van de geboortedatum van [medeverdachte 3] , [datum] -, op het aangetroffen propje papier in de cel van verdachte [medeverdachte 2] komt sterk overeen met het kopie “Opgaveformulier bezoekers, dat door verdachte [verdachte] is ingevuld.
De eigen waarneming van de rechtbank aan de hand van de kopie van de foto van de achterzijde van het propje papier, dat is aangetroffen in de cel van [medeverdachte 2] , pagina 626 van voornoemd eindproces-verbaal, inhoudende - zakelijke weergegeven -:
De rechtbank constateert dat op de achterzijde van het stukje papier de volgende hand-geschreven woorden waar te nemen zijn: “gelok”, “anders”, “politie”.
Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] d.d. 21 februari 2017, pagina 707 van voornoemd eindproces-verbaal, inhoudende - zakelijke weergegeven -:
Ik ben trouwens ook heel sporadisch bij mevrouw [medeverdachte 3] thuis geweest. Pas kort geleden weer voor de eerste keer, dat was heel kort ook.
Nou niet sporadisch, maar niet iedere keer als ik bij [verdachte] geweest was. Maar ik kwam er nadat hij had binnen en smeken om langs zijn ouders en zijn vrouw te gaan.
Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] d.d. 1 maart 2017, pagina 731 van voornoemd eindproces-verbaal, inhoudende - zakelijke weergegeven -:
Ik zou naar [medeverdachte 3] gaan, louter om daar een dossier op te halen wat hij me daar al wilde laten doorlezen.
Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 2] d.d. 1 maart 2017, pagina’s 177 t/m 179 van voornoemd eindproces-verbaal, inhoudende - zakelijke weergegeven -:
Ik ben op 5 oktober 2014 bad-standing uit [motorclub] gezet. Na de bad-standing heb ik geen contact meer gehad met de vrouw en kinderen van [verdachte] . Ik heb [verdachte] helemaal niet meer gesproken. Het klopt dat [medeverdachte 1] bij mij is geweest om die 72.000 euro te regelen. Dit was rond de kerst toen hij net los was. Ik snapte het niet dat hij mijn motoren terug moest betalen. Toen waren ze dat waard.
Ik heb de brief gelezen die [medeverdachte 1] van [medeverdachte 3] heeft gekregen. Dat was voor de kerst 2016. In die brief stond dat iemand van mijn familie met de Pet hadden gepraat.
[medeverdachte 1] zei dat ik voor [verdachte] iets wilde verklaren. Ik ging daar niet op in. Ik ga geen leugens vertellen. Ik wilde dat niet. Het is voor mij zeker nogal een bedrag wat ze aanboden.
heeft mij gebeld. [medeverdachte 3] is bij mij geweest. [medeverdachte 3] liet me toen de verklaring van [medeverdachte 1] aan mij zien. Ze was wat nerveus. [verdachte] belde [medeverdachte 3] . Zij gaf de telefoon aan mij. Ik had al lang niet gezien. Mijn gezin en kinderen kwamen of waren binnen, ook mijn schoonouders. Die waren allemaal verbaasd dat zij er was. Waar [medeverdachte 3] in het telefoongesprek zegt “we hebben het” dan bedoelt ze de verklaring van [medeverdachte 1] , die kon ze niet vinden. Ik schrok toen ze voor mijn deur stond. Ze zei ik heb iets dat je moet lezen.
Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 5] d.d. 6 maart 2017, pagina’s 204 en 205 van voornoemd eindproces-verbaal, inhoudende - zakelijke weergegeven -:
Ik zag door het raam dat [medeverdachte 3] en [naam 6] voor de voordeur van mijn woning kwamen. Ik vond dat gelijk al vreemd en dacht wat moeten die nou komen doen. Ik was heel verbaasd. We hadden ze voor het laatst gesproken toen [naam 2] bad-standing uit de club was gezet.
[medeverdachte 3] zei dat [naam 2] een verklaring moest lezen. Ze hadden een verklaring met foto’s bij van [medeverdachte 1] . [naam 2] had de verklaring gelezen. U zegt dat [medeverdachte 3] tegen [verdachte] aan de telefoon zei “we hebben het”. Ze bedoelde hiermee de verklaringen. Het zat mij dwars dat ze kwamen. Ze zaten in het nauw denk ik. [naam 2] sprak toen met [verdachte] aan de telefoon.
Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] van 16 maart 2017, pagina’s 756 t/m 759 van voornoemd eindproces-verbaal, inhoudende - zakelijke weergegeven -:
Toen [verdachte] mij die brief gaf ben ik opgestaan en wist ik niet hoe snel ik ervan af moest komen. Ik heb het op de wc helemaal versnipperd. Ik heb het verscheurd omdat ik in paniek was.
Het was natuurlijk de bedoeling dat de briefjes die ik die dag had meegekregen van [verdachte] naar [medeverdachte 3] zouden gaan.
Het proces-verbaal van verhoor getuige [verdachte] bij de rechter-commissaris van 15 februari 2018, afzonderlijk aan het dossier toegevoegd, inhoudende - zakelijke weergegeven -:
Ik weet dat er sprake is van een brief die [medeverdachte 2] op de dag van zijn arrestatie heb meegeven. Dat klopt ook.
Voor elk gesprek met mijn advocaat zet ik een en ander op papier.
Ik heb tegen het einde een stukje papier afgescheurd van een blad waarop ik geschreven heb, laat ome [naam 8] zijn spullen bij zijn zoon [naam 9] zetten of iets van die strekking. Dat schreef ik op een briefje dat ik aan [medeverdachte 2] gaf. Hij pakte het aan.
Het proces-verbaal van verhoor getuige [medeverdachte 2] bij de rechter-commissaris van 15 februari 2018, afzonderlijk aan het dossier toegevoegd, inhoudende - zakelijke weergegeven -:
Ik heb weleens een brief van [verdachte] aangenomen. Ik heb die in de gevangenis al direct verscheurd. Ik verfrommelde de brief en stopte die vervolgens in mijn broekzak. Daarna heb ik hem in de wc in het huis van bewaring verscheurd. Het was een gesloten dichte envelop die ik aan flarden getrokken heb en toen in het toilet heb weggespoeld.
Ik weet van het briefje dat zich in mijn telefoonhoesje bevond. Dat was afkomstig van [verdachte] . Dat had hij in mijn bijzijn beschreven. Ik weet niet meer of hij of ikzelf dat briefje in mijn telefoonhoesje heb gedaan.
Hij had een dik dossier waarin hij volop gekrast en geschreven had en hield mij dat voor mijn neus. Tussendoor kwam die envelop. Hij vroeg mij deze aan zijn vrouw te geven.