Uitspraak
[naam eiser 2], te [plaatsnaam] ,
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Eisers zijn eigenaar van een pand met een tuinmuur die door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sluis is aangewezen als gemeentelijk monument. Eisers maakten bezwaar tegen dit besluit, dat na doorzending door het college aan de rechtbank werd behandeld als een rechtstreeks beroep op verzoek van eisers en met instemming van het college.
De rechtbank beoordeelde de ontvankelijkheid van het beroep en stelde vast dat de uniforme openbare voorbereidingsprocedure niet van toepassing was, waardoor het bezwaar ten onrechte als beroep was doorgestuurd. Gezien de instemming van partijen werd het bezwaar als rechtstreeks beroep behandeld en ontvankelijk verklaard.
De rechtbank toetste vervolgens de aanwijzing van de tuinmuur aan de Erfgoedverordening en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Hierbij werd geoordeeld dat het college beleidsvrijheid heeft bij de aanwijzing van gemeentelijke monumenten en dat de rechtbank terughoudend toetst. Eisers voerden aan dat het college met twee maten meet door de tuinmuur wel aan te wijzen en de palen bij de entree niet, en dat de gemeente zich een strook grond heeft toegeëigend die zij niet goed onderhoudt.
De rechtbank oordeelde dat het college in redelijkheid tot het besluit kon komen en dat er geen sprake was van willekeur of onevenredigheid. De aanwijzing van de tuinmuur brengt geen onderhoudsverplichting met zich mee op grond van de Erfgoedverordening. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het besluit tot aanwijzing van de tuinmuur als gemeentelijk monument bleef in stand.
Uitkomst: Het beroep tegen de aanwijzing van de tuinmuur als gemeentelijk monument wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.