Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 november 2020 in de zaak tussen
[naam eiser] , te [plaatsnaam] , eiser
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
of de aanbouw daadwerkelijk op (of tegen) de perceelsgrens is gebouwd, dan wel (…) op een afstand van 20 à 26 cm daarvandaan”. [1] Het Kadaster heeft op 5 maart 2020 metingen uitgevoerd. Hieruit blijkt dat de aanbouw aan de voorzijde op 0,30 meter en aan de achterzijde op 0,34 meter van de perceelsgrens is gesitueerd.
mits de overschrijding van de bouw-, of bestemmingsgrenzen niet meer dan 1 meter bedraagt.” Op grond hiervan concludeert de rechtbank dat deze regel van toepassing is op situaties waarin ondergeschikte bouwdelen bedoelde grenzen overschrijden. In deze zaak is geen sprake van een overschrijding. Naar het oordeel van de rechtbank moet de overstek worden betrokken bij het bepalen of tegen dan wel op minimaal 1 meter afstand van de perceelsgrens wordt gebouwd. Uit het voorgaande vloeit voort dat ten tijde van het bestreden besluit concreet zicht op legalisatie bestond. Nu dit een bijzondere omstandigheid is die een uitzondering vormt op de beginselplicht om handhavend op te treden, is de rechtbank van oordeel dat het college het handhavingsverzoek terecht heeft afgewezen.