Eiser, een gewezen ambtenaar, ontving in augustus 2016 een uitbetaling van vakantie-uren. De minister stelde later vast dat dit bedrag van € 8.099,52 onverschuldigd was betaald en vorderde dit terug. Eiser maakte bezwaar en stelde dat terugvordering in strijd was met het vertrouwensbeginsel, rechtszekerheid en dat de vordering was verjaard.
De rechtbank stelde vast dat het primaire besluit binnen twee jaar na de betaling was genomen, zodat verjaring niet aan de orde was. Uit de verlofoverzichten bleek dat eiser zijn verlofsaldo volledig had opgenomen en dat de uitbetaling onterecht was. De rechtbank verwierp het beroep van eiser dat hij mocht vertrouwen op de juistheid van de eindafrekening, omdat eiser op de hoogte had kunnen zijn van de onjuistheid en had moeten informeren.
De rechtbank oordeelde dat de minister handelde binnen het beleid van de Circulaire Rijksbrede handelswijze bij terugvordering, die terugvordering binnen twee jaar toestaat indien de ambtenaar wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat hij te veel ontving. Er was geen sprake van een schrijnend geval dat terugvordering zou uitsluiten. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.