Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Belastingdienst/Toeslagen om zijn echtgenote vanaf 1 januari 2016 als toeslagpartner aan te merken, ondanks zijn melding van een scheiding van tafel en bed. Eiser en zijn echtgenote woonden samen met vier kinderen, maar zijn echtgenote vertrok in 2015 naar Marokko. Hoewel eiser een verzoek tot scheiding van tafel en bed had ingediend, is deze procedure niet doorgezet.
De Belastingdienst verleende voorschotten op zorgtoeslag en kindgebonden budget aan eiser als aanvrager zonder toeslagpartner voor 2016 en 2017, maar corrigeerde dit met terugwerkende kracht toen bleek dat de scheiding niet was doorgezet. Eiser maakte bezwaar tegen deze correctie en stelde dat zijn echtgenote ten onrechte als toeslagpartner werd aangemerkt.
De rechtbank oordeelt dat op grond van de toepasselijke wetgeving, waaronder de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen en de Algemene wet inzake rijksbelastingen, het partnerschap alleen kan worden beëindigd indien een verzoek tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed is ingediend en doorgezet. Omdat eiser de procedure niet heeft voortgezet, is het standpunt van de Belastingdienst terecht. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
De rechtbank ziet geen reden voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.