Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
STICHTING WOONGOED MIDDELBURG,
1.[gedaagde sub 1] ,
[gedaagde sub 2],
1.het verdere verloop van de procedure
2.de feiten
3.het geschil en de beoordeling
4.de beslissing
JF)
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De zaak betreft een geschil over de huurverhogingsclausule in een huurovereenkomst voor een geliberaliseerde woonruimte te Middelburg. De verhuurder, Stichting Woongoed Middelburg, vordert betaling van een huurachterstand, incassokosten en rente, alsmede ontruiming van de woning. De huurder betwist de huurverhoging en stelt dat de huurprijs sinds 2008 ongewijzigd is gebleven.
De kantonrechter verwijst naar een eerdere uitspraak uit 2015 waarin is vastgesteld dat de verhuurder bevoegd is de huur jaarlijks te verhogen met maximaal het percentage dat de Minister vaststelt. De huurder voert aan dat dit percentage onduidelijk is en dat er geen rechtsgeldige verhoging heeft plaatsgevonden. De rechtbank oordeelt dat het maximale percentage per jaar kan verschillen en dat de verhuurder niet meer dan dit percentage heeft verhoogd.
De rechtbank veroordeelt de huurder tot betaling van de huurachterstand tot en met mei 2019, rente en een deel van de incassokosten, omdat de aanmaning niet volledig aan de wettelijke eisen voldeed. De vordering tot ontruiming wordt afgewezen. De vordering van de huurder tot terugbetaling wegens onverschuldigde betaling wordt eveneens afgewezen.
De proceskosten worden de huurder opgelegd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: De huurder wordt veroordeeld tot betaling van huurachterstand, rente en incassokosten; de vorderingen tot ontruiming en terugbetaling worden afgewezen.