Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van 3 december 2020 van de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[naam verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster,
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
www.rechtspraak.nl
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De moeder van verzoekster maakte bezwaar tegen besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Terneuzen over toekenning van jeugdhulp (Intensieve ambulante gezinsbehandeling) en tijdelijke plaatsing van haar dochter bij een instelling. De voorzieningenrechter beoordeelde of er voldoende procesbelang en spoedeisend belang was voor een voorlopige voorziening.
Na beoordeling concludeerde de voorzieningenrechter dat het procesbelang en spoedeisend belang onvoldoende waren onderbouwd. Het eerdere verzoek was ingetrokken omdat de jeugdhulp op het adres van vader was beëindigd. Het latere verzoek betrof een tijdelijke plaatsing die inmiddels was verstreken, waardoor ook daar geen belang meer bestond.
De voorzieningenrechter benadrukte dat een voorlopige voorziening een voorlopig oordeel inhoudt en een belangenafweging vereist, waarbij het nadeel van de verzoeker moet opwegen tegen het belang van onmiddellijke uitvoering. In deze zaak ontbraken die voorwaarden, waardoor de verzoeken zijn afgewezen. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: De verzoeken om voorlopige voorziening worden afgewezen wegens onvoldoende proces- en spoedeisend belang.