ECLI:NL:RBZWB:2020:6077
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Verlenging machtiging uithuisplaatsing minderjarige wegens onvoldoende hulpverlening thuis
De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 30 juli 2020 uitspraak gedaan over twee zaken betreffende de uithuisplaatsing van een minderjarige en de wijziging van de gecertificeerde instelling (GI) die toezicht houdt. De Raad voor de Kinderbescherming had verzocht om verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de jongste minderjarige, terwijl de ouders verzochten om de GI te vervangen door een andere instelling.
Uit het NIFP-onderzoek blijkt dat beide ouders persoonlijke beperkingen hebben, waaronder een autismespectrumstoornis bij de vader en een non-verbale leerstoornis bij de moeder, die hun opvoedcapaciteiten beperken. Hoewel het NIFP adviseert om de jongste minderjarige thuis te plaatsen met langdurige en passende hulpverlening, oordeelt de rechtbank dat deze hulpverlening in de praktijk onvoldoende beschikbaar en effectief is. Diverse betrokken hulpverleningsinstanties hebben ernstige zorgen over de basale zorg en veiligheid van het kind bij thuisplaatsing.
De ouders betwisten de noodzaak van uithuisplaatsing en steunen het NIFP-advies, maar de rechtbank concludeert dat het gebrek aan inzicht en motivatie bij de ouders, met name de ambivalente houding van de vader, de veiligheid van het kind in gevaar brengt. De rechtbank verlengt daarom de machtiging tot uithuisplaatsing tot 6 maart 2021. Het verzoek van de ouders om de GI te vervangen wordt afgewezen vanwege het belang van continuïteit en het risico op verlies van kennis over het gezin.
Uitkomst: De rechtbank verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van de jongste minderjarige en wijst het verzoek tot vervanging van de gecertificeerde instelling af.