ECLI:NL:RBZWB:2020:6380

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 december 2020
Publicatiedatum
17 december 2020
Zaaknummer
C/02/3787621 / JE RK 20-2226
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:260 BW
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing minderjarige bij grootmoeder

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 18 december 2020 uitspraak gedaan over het verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van een minderjarige. De ondertoezichtstelling was reeds van kracht sinds oktober 2018 en de uithuisplaatsing bij de grootmoeder moederszijde sinds mei 2019.

De GI verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling voor een jaar en de uithuisplaatsing voor eveneens een jaar. De rechtbank oordeelde dat de ontwikkelingsbedreigingen voor de minderjarige nog steeds aanwezig zijn, waardoor de wettelijke grond voor verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De ondertoezichtstelling wordt daarom verlengd van 9 januari 2021 tot 9 januari 2022.

De machtiging tot uithuisplaatsing wordt verlengd, maar slechts voor zes maanden tot 9 juli 2021, waarna het resterende deel van het verzoek wordt aangehouden. Dit vanwege de jonge leeftijd van de minderjarige en de wens van de rechtbank om zicht te houden op het toekomstperspectief en het onderzoek naar een gezagsbeëindigende maatregel door de Raad.

De GI wordt opgedragen uiterlijk twee weken voor de volgende mondelinge behandeling schriftelijk verslag uit te brengen over de voortgang en haar standpunt te geven over het resterende verzoek. De rechtbank uitte zorgen over de recente berichtgeving omtrent het staken van de financiering van de GI en benadrukte het belang van de onverkorte inzet van de betrokken gezinsmanager.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en een mondelinge behandeling is gepland in juni 2021, waarbij moeder, vader en GI worden opgeroepen. Hoger beroep is mogelijk via het gerechtshof 's-Hertogenbosch.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de ondertoezichtstelling met een jaar en de uithuisplaatsing met zes maanden, met aanhouding van het resterende verzoek.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaakgegevens : C/02/3787621 / JE RK 20-2226
datum uitspraak: 18 december 2020

beschikking verlenging ondertoezichtstelling en verlenging uithuisplaatsing

in de zaak van

STICHTING INTERVENCE, hierna te noemen de gecertificeerde instelling (de GI),

gevestigd te Middelburg,
betreffende
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] te Terneuzen, hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[belanghebbende 1] , hierna te noemen de moeder,

wonende te Kapellebrug,

[belanghebbende 2] , hierna te noemen de vader,

wonende te Kapellebrug.

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit het volgende stuk:
- het verzoek van 3 november 2019 van de GI, ingekomen bij de griffie op 6 november 2019.

De feiten

Het ouderlijk gezag over [minderjarige] wordt uitgeoefend door de ouders.
Bij beschikking van 12 oktober 2018 is de destijds ongeboren baby, thans [minderjarige] , voorlopig onder toezicht gesteld met ingang van 12 oktober 2018 en tot 26 oktober 2018. Bij beschikking van 24 oktober 2018 is de voorlopige ondertoezichtstelling verlengd tot 9 januari 2019.
Bij beschikking van 9 januari 2019 heeft de kinderrechter de destijds ongeboren baby, thans [minderjarige] onder toezicht gesteld met ingang van 9 januari 2019 en tot 1 februari 2019.
Bij beschikking van 21 mei 2019 is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een netwerkpleeggezin, te weten de grootmoeder moederszijde, verleend met ingang van 21 mei 2019 en tot 4 juni 2019.
Bij beschikking van 13 december 2019 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] laatstelijk verlengd met ingang van 9 januari 2020 en tot 9 januari 2021.
Bij beschikking van 17 september 2020 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de grootmoeder moederszijde verlengd tot 9 januari 2021.
Op grond van voornoemde machtiging verblijft [minderjarige] bij de grootmoeder moederszijde.

Het verzoek

De GI heeft een verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verzocht voor de duur van een jaar. Tevens heeft de GI verzocht om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van een jaar.

De beoordeling

Door de GI is bij het verzoekschrift aangegeven dat zij geen behoefte heeft aan een behandeling ter zitting. Door de belanghebbenden is niet gereageerd op de brieven van 6 november 2020 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg waarin is vermeld dat, wanneer de belanghebbenden dat wenselijk achten, het verzoek ter zitting besproken kan worden. De kinderrechter acht op grond van de overgelegde stukken behandeling ter zitting niet nodig.
Uit de overgelegde stukken blijkt dat de ontwikkelingsbedreigingen van [minderjarige] nog onverminderd aanwezig zijn. Gelet hierop is voldaan aan de grond voor de ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 1:255, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW). Daarom zal de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met een jaar worden verlengd (artikel 1:260, eerste lid, BW), te weten met ingang van 9 januari 2021 en tot 9 januari 2022.
Voorts vindt de kinderrechter het in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] noodzakelijk dat de plaatsing van hem in het pleeggezin wordt voortgezet. De kinderrechter verlengt derhalve de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij zijn grootmoeder. De duur van de machtiging tot uithuisplaatsing wordt echter beperkt tot zes maanden onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek. Gezien de jonge leeftijd van [minderjarige] is de aanvaardbare termijn voor het bepalen van het toekomstperspectief kort. De kinderrechter wenst, onder verwijzing naar de voorgaande beschikking, zicht te houden op de voortgang van het onderzoek naar een gezagsbeëindigende maatregel door de Raad. De kinderrechter verwacht van de GI dat zij uiterlijk twee weken vóór de volgende mondelinge behandeling schriftelijk verslag zal uitbrengen over het verloop van de maatregelen en de stand van zaken voor wat betreft het onderzoek van de Raad. Voorts dient de GI haar standpunt te geven ten aanzien van het resterend deel van het verzoek.
De kinderrechter stelt vast dat de GI gelet op het voorgaande nog een actieve rol te spelen heeft op basis van de reeds opgebouwde kennis over dit familienetwerk. Hij merkt in dit verband op dat recente berichtgeving over het staken van de financiering van de GI door de betrokken gemeenten en het ontbreken van toereikende vervolgplannen daarin, aanleiding geeft tot zorg over de daadwerkelijke beschikbaarheid van de tot heden betrokken gezinsmanager. De kinderrechter benadrukt daarom dat, gelet op de benodigde voortgang in het dossier en de op korte termijn te nemen beslissingen, de onverkorte inzet van de thans betrokken medewerker van groot belang is.

De beslissing

De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 9 januari 2021 en tot 9 januari 2022;
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg, te weten bij de grootmoeder moederszijde, met ingang van 9 januari 2021 en tot 9 juli 2021;
verklaart deze beschikking voor zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt de behandeling van het resterende deel van het verzoek tot verlenging van de uithuisplaatsing aan tot
een nader te bepalen datum voor mondelinge behandeling in juni 2021, bij de kinderrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, Kousteensedijk 2, 4331 JE, in afwachting van het verslag van de GI zoals weergegeven in de beoordeling en het standpunt van de GI over het resterend verzoek;
bepaalt dat de moeder, de vader en de GI moeten worden opgeroepen tegen de nader te bepalen datum van de mondelinge behandeling;
behoudt zich verder iedere beslissing voor.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2020 door
mr. B.J. Duinhof, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.A.C. Weller-Verdonk als griffier.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
's-Hertogenbosch