ECLI:NL:RBZWB:2020:6426

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
15 december 2020
Publicatiedatum
17 december 2020
Zaaknummer
AWB- 20_9189 AOW VV
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:82 AwbArt. 8:83 AwbAlgemene Ouderdomswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzoek voorlopige voorziening pensioen AOW wegens niet-betaling griffierecht

Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van de Sociale Verzekeringsbank over zijn recht op AOW-pensioen. De voorzieningenrechter heeft op grond van artikel 8:83 lid 3 Awb Pro besloten geen zitting te houden.

Verzoeker stelde betalingsonmacht aan het griffierecht te hebben vanwege het ontbreken van inkomen en vermogen, maar heeft geen bewijsstukken overgelegd. Het griffierecht is niet binnen de gestelde termijn voldaan, en er zijn geen omstandigheden gebleken die verzoeker van verzuim ontslaan.

Daarom is het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard. Verzoeker is meerdere malen verzocht bewijs te leveren, maar heeft dit niet gedaan. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht en ontbreken van bewijs van betalingsonmacht.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 20/9189 AOW

uitspraak van 15 december 2020 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] , wonende te [plaatsnaam] ,

verzoeker,
en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank,

(SVB, kantoor Breda), verweerder.

Procesverloop

Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 23 september 2020 van de SVB (bestreden besluit) over zijn recht op pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven.

Overwegingen

1
.Op grond van artikel 8:82, eerste lid, van de Awb wordt van degene die bij de voorzieningenrechter een verzoek om een voorlopige voorziening indient, griffierecht geheven.
2. Verzoeker heeft in zijn verzoekschrift een beroep gedaan op betalingsonmacht voor de betaling van het griffierecht. Daarbij heeft hij aangegeven geen inkomen te genieten en niet over vermogen te beschikken. Er zijn geen bewijsstukken bijgevoegd.
In een brief van 29 oktober 2020 is verzoeker daarom gevraagd om inlichtingen te verstrekken over zijn financiële situatie en daarbij bewijsstukken over te leggen.
In een brief van 9 november 2020 heeft verzoeker verklaard geen inkomsten en geen vermogen te hebben. Hij heeft geen vaste lasten, wel voedings- en kleedkosten. Hij heeft geen bewijsstukken overgelegd.
Daarop is het beroep op betalingsonmacht op 13 november 2020 afgewezen en is verzoeker bij aangetekende brief van 15 november 2020 een nota griffierecht toegestuurd. Daarbij is vermeld dat het griffierecht binnen twee weken moet zijn bijgeschreven op de bankrekening van de rechtbank en dat het verzoek, als niet wordt betaald, niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
3. Vast staat dat het griffierecht voor de voorlopige voorziening niet binnen de termijn is voldaan. Er is niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan verzoeker redelijkerwijs kan worden geacht niet in verzuim te zijn geweest.
4. Gelet hierop is het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Sierkstra, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P. Oudkerk, griffier, op 15 december 2020 en is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier* voorzieningenrechter
* De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak mee te ondertekenen.

Als u het niet eens bent met deze uitspraak

Tegen deze uitspraak is geen (hoger) beroep mogelijk.