Eiser ontving sinds 2 juli 2014 een bijstandsuitkering. Na een anonieme melding over zwartwerken heeft Baanbrekers een onderzoek ingesteld en de uitkering ingetrokken over de periode 2 juli 2014 tot en met 3 september 2015, met terugvordering van onverschuldigde betalingen. Eiser maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard, en ging in beroep. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat eiser de inlichtingenplicht had geschonden door geen duidelijkheid te geven over zijn inkomsten en banktransacties.
Baanbrekers legde daarop een bestuurlijke boete op van €4.980,-, 50% van het benadelingsbedrag, wegens normale verwijtbaarheid. Eiser betwistte de boete, onder meer vanwege onvoldoende bewijs en onjuiste toepassing van het boeteregime. De rechtbank oordeelt dat Baanbrekers voldoende heeft bewezen dat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden en dat de bewijslast hiervoor bij het bestuursorgaan ligt. De verwijtbaarheid is normaal, omdat eiser onvoldoende heeft aangetoond dat hem geen verwijt treft.
De rechtbank stelt vast dat het huidige boeteregime van toepassing is, omdat dit regime niet tot een hogere boete leidt dan het oude. De draagkracht van eiser is berekend en voldoende om de boete binnen 12 maanden te voldoen. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de boete van €4.980,-.