Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 december 2020 in de zaak tussen
[naam bedrijf] , te [plaatsnaam] , eiseres,
Procesverloop
Overwegingen
Feiten
Geschil
Beoordeling
Conclusie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Eiseres exploiteert sinds 2013 een horecabedrijf in het centrumgebied van een gemeente waar een centrumontwikkelingsproject plaatsvindt. Zij diende een aanvraag in voor nadeelcompensatie vanwege schade door de werkzaamheden die samenhangen met de heropening van een haven in het centrum. Het college wees deze aanvraag af omdat eiseres het risico van de schade had aanvaard.
De rechtbank toetste of de schadeveroorzakende maatregelen voorzienbaar waren op het moment dat eiseres het pand betrok. Volgens vaste jurisprudentie moet worden gekeken of een redelijk handelend koper rekening had kunnen houden met de kans op nadelige planologische wijzigingen op het moment van investering. Het college stelde de peildatum op 25 oktober 2012, toen de gemeenteraad het besluit tot heropening van de haven definitief nam.
De rechtbank oordeelde dat eiseres op het moment van vestiging in 2013 op basis van openbaar gemaakte beleidsdocumenten had kunnen weten dat ingrijpende werkzaamheden zouden plaatsvinden. De duur en ingrijpendheid hoefden niet volledig voorspelbaar te zijn om van voorzienbaarheid te spreken. Ook een beroep op het vertrouwensbeginsel slaagde niet, omdat geen toezegging was gedaan dat nadeelcompensatie zou worden toegekend.
Gelet hierop concludeerde de rechtbank dat eiseres het risico van de schade had aanvaard en dat het college de aanvraag terecht had afgewezen. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard omdat zij het risico van de schade had aanvaard.