Uitspraak
vonnis
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Op 16 december 2020 heeft de kinderrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak tegen een minderjarige verdachte geboren in 2005. Verdachte werd primair verdacht van openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen op 23 juli 2020.
De kinderrechter sprak verdachte vrij van feit 2, maar veroordeelde hem voor feit 1 tot een werkstraf van 85 uren, subsidiair 42 dagen jeugddetentie, waarvan een deel voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar. Tevens werd verdachte veroordeeld tot betaling van een immateriële schadevergoeding van 100 euro aan de benadeelde partij, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum van het incident. De proceskosten werden toegewezen aan de benadeelde partij.
Daarnaast werd het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis tegen verdachte opgeheven. De kinderrechter stelde vast dat Stichting Intervence als gecertificeerde instelling een actieve rol blijft spelen in de begeleiding van verdachte. Er werd zorg uitgesproken over het staken van financiering van deze instelling door gemeenten en het ontbreken van adequate vervolgplannen, wat de continuïteit van de jeugdreclassering bedreigt. De minister, staatssecretaris en inspecties onderschrijven het belang van continuïteit in de zorg voor minderjarigen.
Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot werkstraf en jeugddetentie met voorwaardelijke proeftijd en betaling van immateriële schadevergoeding.