ECLI:NL:RBZWB:2020:7104

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 november 2020
Publicatiedatum
30 april 2021
Zaaknummer
AWB- 20_7689
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 AwbArt. 8:54 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens termijnoverschrijding bij UWV-besluit

Eiser heeft beroep ingesteld tegen een besluit van het UWV van 11 juni 2020. De rechtbank heeft vastgesteld dat het beroepschrift niet binnen de wettelijke termijn is ontvangen. Hoewel eiser aanvoerde dat het bezwaar per gewone post op 23 juli 2020 en per aangetekende post op 25 juli 2020 was verzonden, bleek uit de poststempels dat het beroepschrift pas op 28 juli 2020 ter post is aangeboden, wat te laat is.

De rechtbank benadrukt dat de termijnen voor bezwaar en beroep van openbare orde zijn en niet kunnen worden overschreden, tenzij sprake is van zeer bijzondere omstandigheden, die hier niet zijn aangetoond. De rechtbank oordeelt dat eiser zelf verantwoordelijk is voor een juiste interne postverwerking.

Op grond van de toepasselijke artikelen uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het beroep daarom kennelijk niet-ontvankelijk en wordt de zaak zonder inhoudelijke behandeling afgedaan. Partijen kunnen nog verzet instellen binnen zes weken na verzending van deze uitspraak.

Uitkomst: Het beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 20/7689 WIA

uitspraak van 10 november 2020 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], te [plaatsnaam], eiser,

gemachtigde: [gemachtigde],
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(UWV; kantoor Breda), verweerder.

Procesverloop

Namens eiser is bij brief van 25 juli 2020, ontvangen op 29 juli 2020, beroep ingesteld tegen het besluit van 11 juni 2020 (bestreden besluit) van het UWV inzake de niet-ontvankelijk verklaring van eisers bezwaar tegen de beslissing van 9 oktober 2018.

Overwegingen

1. In de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de verplichting opgenomen om het beroepschrift binnen de daarvoor bepaalde termijn in te dienen. De griffier heeft eiser bij brief van 24 augustus 2020 erop gewezen dat het beroep niet binnen die termijn is ingesteld en heeft daarbij de gelegenheid geboden de reden van de termijnoverschrijding toe te lichten. Ter verklaring van de termijnoverschrijding is namens eiser aangevoerd dat het bezwaar per gewone post is verzonden op 23 juli 2020 en per aangetekende post op 25 juli 2020. Daarbij is erkend dat de laatste verzendwijze een dag te laat was.
2. De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit is gedagtekend 11 juni 2020. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat het besluit pas na die datum is verzonden. Het bepaalde in de artikelen 6:7 en 6:8 van de Awb brengt dan mee dat de beroepstermijn is aangevangen op de dag na verzending van het bestreden besluit en is geëindigd op 23 juli 2020.
Artikel 6:9, eerste lid, van de Awb bepaalt dat een beroepschrift tijdig is ingediend als het voor het einde van de termijn is ontvangen. Het beroepschrift is op 29 juli 2020 bij de rechtbank ontvangen. Het beroepschrift is dus gelet op artikel 6:9, eerste lid, van de Awb niet tijdig ingediend.
Op grond van artikel 6:9, tweede lid, van de Awb is een beroepschrift dat per post is verzonden en binnen een week na verstrijken van de beroepstermijn is ontvangen tijdig ingediend indien het vóór het einde van de beroepstermijn ter post is bezorgd. Het beroepschrift is gedagtekend 25 juli 2020. Zoals blijkt uit de poststempel op de enveloppe is het beroepschrift op 28 juli 2020 ter post aangeboden en daarmee niet tijdig verzonden. Het beroepschrift is dus ook gelet op artikel 6:9, tweede lid, van de Awb niet tijdig ingediend.
Met betrekking tot het per aangetekende post verzonden beroepschrift is erkend dat het te laat, dat wil zeggen na afloop van de beroepstermijn, is verzonden. Dit beroepschrift is dan ook evenmin tijdig ingediend.
3. Termijnen van bezwaar en beroep zijn van openbare orde, dat wil zeggen dat het fatale termijnen zijn waarvan niet afgeweken kan worden, tenzij de termijnoverschrijding verschoonbaar is in verband met zeer bijzondere omstandigheden.
De rechtbank ziet in de door namens eiser aangevoerde redenen geen aanleiding om niet-
ontvankelijk verklaring achterwege te laten. Daartoe overweegt de rechtbank dat eiser zelf verantwoordelijk is voor een juiste interne postverwerking.
4. Een en ander leidt tot de slotsom dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is. De rechtbank zal de zaak zonder behandeling ter zitting afdoen als hierna vermeld.
5. Bij deze beslissing is in aanmerking genomen het gestelde in de artikelen 6:7, 6:8, eerste lid, 6:9, 6:11 en 8:54, eerste lid, onder b, van de Awb.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.P. Hertsig, rechter, in aanwezigheid van mr. T.B. Both, griffier, op 10 november 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen en andere belanghebbenden verzet doen bij de rechtbank. De termijn voor het indienen van een verzetschrift bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na de verzending van deze uitspraak.
Artikel 6:7 van Pro de Awb luidt als volgt:
De termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift bedraagt zes weken.
Artikel 6:8, eerste lid, van de Awb luidt als volgt:
De termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.
Artikel 6:9 van Pro de Awb luidt als volgt:

1. Een bezwaar- of beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.

2. Bij verzending per post is een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

Artikel 6:11 van Pro de Awb luidt als volgt:
Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
Artikel 8:54, eerste lid, onder b, van de Awb luidt als volgt:
Totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting van de bestuursrechter te verschijnen, kan de bestuursrechter het onderzoek sluiten, indien de voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is.