Eisers verzochten Pontes om alsnog met terugwerkende kracht per september 2015 de achterstallige onregelmatigheidstoeslag (ORT) uit te betalen, nadat een collega in een eerdere uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) recht kreeg op deze toeslag. Pontes wees deze verzoeken af omdat eisers destijds geen bezwaar hadden gemaakt tegen de stopzetting van de ORT in 2015.
De rechtbank oordeelde dat de verzoeken van eisers herzieningsverzoeken zijn en dat Pontes deze heeft afgewezen met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zonder dit adequaat te motiveren. Dit vormde een motiveringsgebrek dat leidt tot vernietiging van de bestreden besluiten.
De rechtbank stelde vast dat de uitspraak van de CRvB geen nieuw feit of omstandigheid is en dat eisers geen concrete onderbouwing boden voor het beroep op het gelijkheidsbeginsel. Er was geen sprake van gelijke gevallen omdat eisers geen tijdig bezwaar hadden gemaakt en hun situatie niet voldoende was onderbouwd.
Hoewel de besluiten worden vernietigd, blijven de rechtsgevolgen daarvan in stand. Pontes wordt veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van eisers.