Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 december 2020 in de zaak tussen
Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ), verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) van 4 oktober 2018, waarin de aanvraag voor zorg vanuit de Wet langdurige zorg (Wlz) voor haar zoon werd afgewezen. De kern van het geschil was of de zoon op de datum in geding (24 mei 2018) recht had op Wlz-zorg vanwege een blijvende behoefte aan 24-uurszorg.
De rechtbank oordeelde dat het CIZ terecht had vastgesteld dat er sprake was van gebruikelijke zorg, aangezien de zoon, die destijds vier jaar oud was, niet voldeed aan de criteria voor een ernstige meervoudig complexe handicap. Volgens de beleidsregels geldt voor kinderen van 3 tot 5 jaar dat zij overdag voortdurend begeleiding en toezicht nodig hebben, wat als gebruikelijke zorg wordt beschouwd.
Eiseres stelde dat haar zoon meer zorg nodig had dan leeftijdsgenoten zonder beperkingen en dat zij immateriële schade had geleden door de zorglast. De rechtbank erkende het mogelijke belang van eiseres bij een oordeel, maar vond dat dit niet tot een ander oordeel over het recht op Wlz-zorg leidde.
De rechtbank liet de vraag of er op de datum in geding al sprake was van een blijvende behoefte aan 24-uurszorg onbesproken en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van langdurige zorg wordt ongegrond verklaard omdat sprake is van gebruikelijke zorg.