Eiser ontving een uitkering op grond van de Participatiewet die door het college van burgemeester en wethouders van Breda werd ingetrokken en teruggevorderd wegens vermeende schending van de inlichtingenplicht. Het primaire besluit betrof de periode van 15 juli 2019 tot en met 26 augustus 2019. Het bezwaar van eiser werd door het college ongegrond verklaard, waarna eiser beroep instelde bij de rechtbank.
De rechtbank oordeelt dat het college in het bestreden besluit de motivering zodanig heeft gewijzigd dat niet langer sprake is van verwijtbaar handelen van eiser. Deze wijziging is zo ingrijpend dat het bezwaar gegrond verklaard had moeten worden. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit, maar laat de rechtsgevolgen van het besluit in stand omdat het slagen van deze beroepsgrond niet tot een andere uitkomst leidt.
Verder oordeelt de rechtbank dat het college terecht gebruik heeft gemaakt van de verrekeningsbevoegdheid op grond van artikel 58, vierde lid, van de Participatiewet en dat de beslagvrije voet bij de terugvordering in acht moet worden genomen. Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 2.100,-, en het betaalde griffierecht van € 48,00.
Eiser kan tegen deze uitspraak binnen zes weken hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep.