Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende is veroordeeld voor hennepteelt en diefstal van elektriciteit, waarbij een ontnemingsvordering is toegewezen op basis van inkomsten uit één hennepoogst. De inspecteur legde aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en zorgverzekeringswet (Zvw) 2013 op, gebaseerd op een schatting van inkomsten uit twee hennepoogsten. Belanghebbende betwistte inkomsten uit hennepteelt en diende bezwaar in, dat niet-ontvankelijk werd verklaard wegens termijnoverschrijding.
De rechtbank oordeelt dat de termijnoverschrijding terecht is vastgesteld en dat belanghebbende de bewijslast draagt voor vermindering van de aanslag op grond van artikel 9.6 Wet IB 2001. De inspecteur heeft ter zitting verklaard dat een redelijke schatting van één hennepoogst zonder kostenaftrek geldt, waarop de rechtbank de aanslag vermindert tot een belastbaar inkomen van € 83.773. De vergrijpboete wordt dienovereenkomstig verlaagd.
Belanghebbende slaagt er niet in aannemelijk te maken dat hij geen inkomsten uit hennepteelt heeft genoten. De rechtbank acht aannemelijk dat belanghebbende bewust onjuiste aangifte deed, waardoor de vergrijpboete terecht is opgelegd. De aanslag Zvw 2013 blijft ongewijzigd. De rechtbank veroordeelt de inspecteur in proceskosten en griffierecht. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.
Uitkomst: De aanslag inkomstenbelasting en vergrijpboete worden verminderd tot een belastbaar inkomen van € 83.773, bezwaar tegen aanslag is terecht niet-ontvankelijk verklaard, en inspecteur wordt veroordeeld in proceskosten.