ECLI:NL:RBZWB:2021:1072

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 maart 2021
Publicatiedatum
10 maart 2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 8438
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Geheimhoudingsbeslissing
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:29 AwbArt. 8:42 AwbArt. 8:104 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek geheimhouding persoonsgegevens fraudemelder in belastingzaak

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de inspecteur van de Belastingdienst een verzoek ingediend om geheimhouding van bepaalde passages in een renseignement dat melding maakt van mogelijke BTW-fraude. De passages bevatten persoonsgegevens van de fraudemelder, zoals naam, e-mailadres en werkgever. De inspecteur motiveert dit verzoek met het voorkomen van een ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de fraudemelder.

De rechtbank heeft het verzoek beoordeeld aan de hand van artikel 8:29 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hierbij is een belangenafweging gemaakt tussen het belang van de inspecteur bij geheimhouding en het belang van belanghebbende bij kennisneming van de gegevens. De rechtbank concludeert dat het belang van bescherming van de persoonsgegevens en de privacy van de fraudemelder aanzienlijk zwaarder weegt dan het belang van belanghebbende.

Daarnaast is vastgesteld dat de fraudemelding niet is gebruikt in de bezwaarfase of beroepsfase ter onderbouwing van de standpunten van de inspecteur en dat de gegevens niet direct van belang zijn voor de beslissing in de hoofdzaak. De rechtbank wijst het verzoek om geheimhouding toe en bepaalt dat de gelakte passages buiten beschouwing blijven in de hoofdzaak.

De uitspraak is genomen zonder zitting vanwege de aard van de geheimhoudingsprocedure en het feit dat belanghebbende zich schriftelijk heeft kunnen uitlaten. Tegen deze beslissing kan alleen hoger beroep worden ingesteld tegelijk met het hoger beroep in de hoofdzaak.

Uitkomst: Het verzoek van de inspecteur om geheimhouding van persoonsgegevens van de fraudemelder wordt toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige geheimhoudingskamer
Locatie: Breda
Zaaknummer BRE 20/8438
beslissing van 10 maart 2021
Beslissing als bedoeld in artikel 8:29 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen
[belanghebbende], wonende te [woonplaats] ,
belanghebbende,
en
de inspecteur van de Belastingdienst,
de inspecteur .

1.Het verzoek

1.1.
De inspecteur heeft, met dagtekening 6 november 2020, een verweerschrift ingediend, waarvan bijlage 16 is geschoond. De ongeschoonde versie (hierna: het geheimgehouden stuk) van de bijlage is door de inspecteur , eveneens bij brief van 6 november 2020 (hierna: de aanbiedingsbrief), verstrekt aan de geheimhoudingskamer van de rechtbank. In de aanbiedingsbrief heeft de inspecteur verzocht om de ongeschoonde versie van de bijlage geheim te houden op grond van artikel 8:29 van Pro de Awb. De rechtbank heeft een afschrift van het verweerschrift, met de geschoonde bijlage, en van de aanbiedingsbrief aan de gemachtigde van belanghebbende verstrekt.
1.2.
De gemachtigde van belanghebbende heeft, bij brief van 13 januari 2021, bij de rechtbank binnengekomen op 15 januari 2021, gereageerd op het verzoek van de inspecteur . Daarbij heeft de gemachtigde aangegeven niet in te stemmen met geheimhouding.
1.3.
Het gedeeltelijk geheimgehouden stuk is een renseignement van [Datum] waarin aan de FIOD melding wordt gemaakt van mogelijke BTW-fraude door [Stichting] . In dit stuk heeft de inspecteur gegevens gelakt om ervoor te zorgen dat de identiteit van de fraudemelder niet bekend wordt bij belanghebbende. Het gaat om gegevens zoals de naam, het e-mailadres, de werkgever en het adres van de werkgever van de fraudemelder. De inspecteur wil een directe, ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de fraudemelder voorkomen. Volgens de inspecteur kan belanghebbende haar standpunt verdedigen zonder kennis te nemen van de gelakte passages. Hij wijst er daarbij op dat de inspecteur al vóór kennisname van de fraudemelding tot een boekenonderzoek had besloten en dat de gegevens uit de fraudemelding niet zijn gebruikt ter onderbouwing van de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag. Bovendien is het bezwaarschrift van belanghebbende (kennelijk) niet-ontvankelijk verklaard en komt de rechtbank in de hoofdzaak, indien dit standpunt wordt gevolgd, niet toe aan een inhoudelijke behandeling van de zaak.

2.Overwegingen

Geen zitting
2.1.
De geheimhoudingskamer heeft besloten een mondelinge behandeling ter zitting achterwege te laten. Reden daarvoor is dat de aard van de geheimhoudingsprocedure meebrengt dat een behandeling ter zitting in dit geval naar het oordeel van de geheimhoudingskamer niet geschikt is om het verzoek om geheimhouding van de inspecteur te behandelen. [1] In wat belanghebbende heeft aangevoerd heeft de geheimhoudingskamer geen aanleiding gezien om wel een zitting te houden. De geheimhoudingskamer komt tot dit oordeel omdat niet (voldoende) duidelijk is gemaakt wat de toegevoegde waarde daarvan zou zijn gelet op het feit dat enerzijds tijdens zo een zitting de geschoonde gedeelten van het geheimgehouden stuk als zodanig niet besproken zouden kunnen worden en anderzijds belanghebbende zich voldoende op schrift heeft kunnen uitlaten over de door de inspecteur aangevoerde redenen voor geheimhouding. Bovendien heeft de gemachtigde van belanghebbende, in zijn onder 1.2 bedoelde brief, niet verzocht om een zitting van de geheimhoudingskamer.
Artikel 8:42 van Pro de Awb
2.2.
De inspecteur voert aan dat hij het geheimgehouden stuk niet heeft gebruikt bij het opleggen van de naheffingsaanslag. Mogelijk bedoelt de inspecteur hiermee dat het geheimgehouden stuk geen op de zaak betrekking hebbend stuk is als bedoeld in artikel 8:42 van Pro de Awb (hierna: 8:42-stuk).
2.3.
De geheimhoudingskamer overweegt dat de beoordeling of een stuk is aan te merken als 8:42-stuk als uitgangspunt toebehoort aan de kamer die in de hoofdzaak beslist (hierna: de hoofdkamer). In het onderstaande zal de geheimhoudingskamer er dan ook veronderstellenderwijs vanuit gaan dat het geheimgehouden stuk een 8:42-stuk is. Dit dient ook de proceseconomie. Zou immers de geheimhoudingskamer oordelen dat geen sprake is van een 8:42-stuk en de hoofdkamer zou anders oordelen, dan zou opnieuw een geheimhoudingsprocedure moeten volgen. De hoofdkamer zal hierover een eindoordeel geven.
Kader voor beoordeling artikel 8:29 van Pro de Awb
2.4.
De omstandigheid dat een stuk een 8:42-stuk is brengt niet automatisch mee dat dit stuk (volledig) aan de andere partij ter kennis moet worden gebracht. Het bepaalde in artikel 8:29 van Pro de Awb biedt aan partijen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, de mogelijkheid het overleggen van stukken te weigeren (geheimhouding) of de rechtbank mede te delen dat uitsluitend de rechtbank kennis zal mogen nemen van deze stukken (beperkte kennisneming).
2.5.
Het verschil tussen het honoreren van een verzoek om geheimhouding en het honoreren van een verzoek om beperking van kennisneming is als volgt:
a. Geheimhouding: (delen van de) stukken mogen door de inspecteur worden onthouden aan de rechter die de hoofdzaak beslist en aan de wederpartij; zowel de rechter die de hoofdzaak beslist als de wederpartij nemen geen kennis van deze (delen van) stukken en deze blijven bij de beslissing van de hoofdzaak geheel buiten beschouwing (geheimhouding).
b. Beperking kennisneming: de (delen van de) stukken komen wel ter beschikking van de rechter die de hoofdzaak beslist, maar de wederpartij kan geen kennis nemen van deze (delen van) stukken: de kennisneming is beperkt tot de rechter die de hoofdzaak beslist (beperkte kennisneming).
2.6.
Uit de brief van de inspecteur van 6 november 2020, leidt de geheimhoudingskamer af dat de inspecteur zich beroept op variant a. als bedoeld in 2.5.
2.7.
Bij het geheimhouden van (delen van) op de zaak betrekking hebbende stukken moet de grootst mogelijke terughoudendheid wordt betracht. Slechts indien de door de inspecteur voor geheimhouding aangevoerde redenen zwaarder wegen dan het belang van belanghebbende bij onbeperkte kennisneming van (delen van) de op de zaak betrekking hebbende stukken, is sprake van gewichtige redenen die geheimhouding rechtvaardigen.
Beoordeling van het verzoek
2.8.
De geheimhoudingskamer heeft, met toepassing van artikel 8:29 van Pro de Awb, kennis genomen van het geheimgehouden stuk en van de stukken van de hoofdzaak. Het geheimgehouden stuk is vervolgens onderworpen aan een afweging van het belang van belanghebbende bij onbeperkte kennisneming tegenover de redenen van de inspecteur om passages van het stuk geheim te houden.
2.9.
Ten aanzien van alle gelakte passages overweegt de geheimhoudingskamer dat het belang bij bescherming van persoonsgegevens en de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de fraudemelder aanzienlijk zwaarder weegt dan het belang dat belanghebbende heeft bij kennisneming van deze gegevens. De kenbaarheid van deze gegevens is ook niet direct van belang voor de beslissing in de hoofdzaak. De inspecteur heeft de fraudemelding namelijk noch in de bezwaarfase noch in de beroepsfase op enigerlei wijze gebruikt ter onderbouwing van zijn standpunten. De gemachtigde van belanghebbende stelt dat zij zich niet kunnen voorstellen wat het bekend worden van de gegevens voor effect zou kunnen op de levenssfeer van de fraudemelder. De rechtbank overweegt dat het niet is uit te sluiten dat belanghebbende, of een bekende van belanghebbende, de fraudemelder, na het bekend worden van de gegevens, op enigerlei wijze zal benaderen zonder dat de fraudemelder hier prijs op stelt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat voor deze passages sprake is van gewichtige redenen die geheimhouding op grond van artikel 8:29 van Pro de Awb rechtvaardigen.
2.10.
Dit betekent dan ook dat het verzoek van de inspecteur om geheimhouding van (delen van) het stuk gerechtvaardigd is.

3.Beslissing

De geheimhoudingskamer wijst het verzoek om geheimhouding toe.
Deze beslissing is genomen op 10 maart 2021 door mr. drs. J.H. Bogert, rechter, in aanwezigheid van mr. I. van Wijk, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De rechter,
De uitspraak is enkel door de griffier ondertekend, omdat de rechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze beslissing kan ingevolge artikel 8:104, derde lid, van de Awb slechts tegelijk met het hoger beroep tegen de uitspraak in de hoofdzaak hoger beroep worden ingesteld.

Voetnoten

1.Vgl. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 13 april 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:1593, r.o. 3.31.