ECLI:NL:RBZWB:2021:1072
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Geheimhoudingsbeslissing
- Rechtspraak.nl
Toewijzing verzoek geheimhouding persoonsgegevens fraudemelder in belastingzaak
In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de inspecteur van de Belastingdienst een verzoek ingediend om geheimhouding van bepaalde passages in een renseignement dat melding maakt van mogelijke BTW-fraude. De passages bevatten persoonsgegevens van de fraudemelder, zoals naam, e-mailadres en werkgever. De inspecteur motiveert dit verzoek met het voorkomen van een ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de fraudemelder.
De rechtbank heeft het verzoek beoordeeld aan de hand van artikel 8:29 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hierbij is een belangenafweging gemaakt tussen het belang van de inspecteur bij geheimhouding en het belang van belanghebbende bij kennisneming van de gegevens. De rechtbank concludeert dat het belang van bescherming van de persoonsgegevens en de privacy van de fraudemelder aanzienlijk zwaarder weegt dan het belang van belanghebbende.
Daarnaast is vastgesteld dat de fraudemelding niet is gebruikt in de bezwaarfase of beroepsfase ter onderbouwing van de standpunten van de inspecteur en dat de gegevens niet direct van belang zijn voor de beslissing in de hoofdzaak. De rechtbank wijst het verzoek om geheimhouding toe en bepaalt dat de gelakte passages buiten beschouwing blijven in de hoofdzaak.
De uitspraak is genomen zonder zitting vanwege de aard van de geheimhoudingsprocedure en het feit dat belanghebbende zich schriftelijk heeft kunnen uitlaten. Tegen deze beslissing kan alleen hoger beroep worden ingesteld tegelijk met het hoger beroep in de hoofdzaak.
Uitkomst: Het verzoek van de inspecteur om geheimhouding van persoonsgegevens van de fraudemelder wordt toegewezen.